Uitspraak BRS.26.001792
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3131
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 29 oktober 2019 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers appellant meegedeeld dat het de gemeente Borger-Odoorn bereid heeft gevonden om bij voorrang woonruimte voor haar beschikbaar te stellen (koppelingsbrief).
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001792
ECLI:NL:RVS:2026:3131
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 maart 2026 in zaak nr. 25/2171 in het geding tussen:
appellant
en
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Procesverloop
Bij brief van 29 oktober 2019 heeft het COA appellant meegedeeld dat het de gemeente Borger-Odoorn bereid heeft gevonden om bij voorrang woonruimte voor haar beschikbaar te stellen (koppelingsbrief).
Bij uitspraak van 30 maart 2026 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de koppelingsbrief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb inhoudt en evenmin een handeling van het COA ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet COA. De koppelingsbrief is alleen een mededeling van het COA dat het de gemeente Borger-Odoorn bereid heeft gevonden om bij voorrang woonruimte voor appellant beschikbaar te stellen. De koppelingsbrief is daarmee niet op rechtsgevolg gericht en is ook geen feitelijke handeling die appellant in zijn hoedanigheid van vreemdeling raakt.
2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het COA hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
1028