Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601274/2/A2

Uitspraak 202601274/2/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3146
Datum uitspraak
4 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een verzoek van [wederpartij] om herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over 2017 afgewezen. Op 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de Catshuisregeling aan [wederpartij] een forfaitaire vergoeding van € 30.000,00 toegekend. Naar aanleiding van de daaropvolgende integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen zich echter bij besluit van 31 december 2021 op het standpunt gesteld dat hij geen fouten heeft gemaakt tijdens de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017. Bij besluit op bezwaar van 18 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen dit standpunt gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft [wederpartij] beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor het recht op compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
  • Voorlopige voorziening
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601274/2/A2.
Datum uitspraak: 4 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb), hangende het hoger beroep van:

de Dienst Toeslagen,
verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2026 in zaak nr. 23/7592 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een verzoek van [wederpartij] om herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over 2017 afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2024 vernietigd en bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na de dag van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 mei 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en [wederpartij], bijgestaan door mr. P.W.E. Ros, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen in het kader van de Catshuisregeling aan [wederpartij] een forfaitaire vergoeding van € 30.000,00 toegekend. Naar aanleiding van de daaropvolgende integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen zich echter bij besluit van 31 december 2021 op het standpunt gesteld dat hij geen fouten heeft gemaakt tijdens de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2017. Bij besluit op bezwaar van 18 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen dit standpunt gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft [wederpartij] beroep ingesteld.

2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor het recht op compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft haar namelijk niet vooringenomen behandeld en zij komt ook niet in aanmerking voor compensatie vanwege hardheid van het stelsel. Niettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat de Dienst Toeslagen in redelijkheid niet de hardheidsclausule buiten toepassing mocht laten, omdat sprake is van een bijzondere en schrijnende situatie. De rechtbank heeft daarom bepaald dat de Dienst Toeslagen een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen waaruit volgt dat [wederpartij] door toepassing van de hardheidsclausule wordt erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire.

3.       De Dienst Toeslagen heeft de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist, in die zin dat geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te worden genomen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Volgens de Dienst Toeslagen brengt uitvoering van die uitspraak onomkeerbare gevolgen mee, terwijl in hoger beroep nog moet worden beslist of de rechtbank juist heeft geoordeeld. De hogerberoepsprocedure wordt zinledig als hij al een nieuw besluit heeft genomen. Als een aanvrager eenmaal als gedupeerde is aangemerkt en aan hem herstelmaatregelen zijn toegekend, doet de Dienst Toeslagen die beslissing namelijk gestand, ook als later blijkt dat een aanvrager ten onrechte als gedupeerde is aangemerkt. Uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft dus onomkeerbare gevolgen.

Beoordeling verzoek

4.       De voorzieningenrechter kan in een geval als dit een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist (artikel 8:81 van de Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

5.       De Dienst Toeslagen heeft belang bij het niet hoeven uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank totdat op het hoger beroep is beslist, omdat de gevolgen van het aanmerken van [wederpartij] als gedupeerde niet worden teruggedraaid, in het geval dat de Afdeling in hoger beroep oordeelt dat [wederpartij] ten onrechte als gedupeerde is aangemerkt en de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule buiten toepassing mocht laten.

6.       Hiertegenover staat het belang van [wederpartij], die, mede gelet op haar sociale en medische problemen, baat heeft bij de brede ondersteuning die de gemeente nu biedt. Zij heeft er belang bij dat deze doorgaat, zodat er rust en stabiliteit ontstaat in haar (thuis)situatie. Zij kreeg namelijk geen ondersteuning meer vanuit de gemeente toen de Dienst Toeslagen had beslist dat zij geen gedupeerde was, maar na de uitspraak van de rechtbank heeft de gemeente opnieuw een plan van aanpak voor haar opgesteld en haar opnieuw in aanmerking genomen voor ondersteuning. Zij vreest dat die ondersteuning nu weer wordt stop gezet.

7.       De voorzieningenrechter erkent het belang van [wederpartij] bij de doorgang van de brede ondersteuning. Maar de Dienst Toeslagen heeft ook belang bij het voorkomen van onomkeerbare gevolgen, als een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Hij treft daarom de voorlopige voorziening dat de Dienst Toeslagen geen nieuwe beslissing op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Voor [wederpartij] zijn de gevolgen van deze voorziening beperkt. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat de mondelinge behandeling van het hoger beroep vooralsnog gepland staat op 15 juli 2026. Bovendien heeft deze uitspraak geen werking voor de brede ondersteuning die [wederpartij] vanuit de gemeente ontvangt. Deze uitspraak geeft namelijk geen oordeel over de rechtmatigheid van het oordeel van de rechtbank en staat er, zolang het hoger beroep loopt, ook niet aan in de weg dat de gemeente deze ondersteuning blijft bieden.

8.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de Dienst Toeslagen niet opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te beslissen, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter

w.g. Van Loon
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026

284-1197


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon