Uitspraak BRS.26.002308 en BRS.26.002309
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3132
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002308 en BRS.26.002309
ECLI:NL:RVS:2026:3132
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2026 in zaak nr. NL24.42534 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.M. Pot, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn op 17 februari 2022 ingediende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij van 22 september 2014 tot 18 mei 2016 werkzaamheden heeft verricht voor het Amerikaanse leger in Bagram en dat hij daarom bij terugkeer naar Afghanistan, waar de Taliban inmiddels de macht hebben overgenomen, een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft niet geloofwaardig geacht dat appellant wegens de werkzaamheden voor het Amerikaanse leger problemen met de Taliban heeft ondervonden en daarom niet aannemelijk geacht dat appellant bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt, omdat de minister de door appellant gestelde problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Het hoger beroep
3. In de uitspraken van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4647, ECLI:NL:RVS:2024:4648 en ECLI:NL:RVS:2024:4649 heeft de Afdeling overwogen dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij naar Afghanistan terugkeren. De minister moet bij de beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vreemdelingen die na de machtsovername door de Taliban vanuit een westers land naar Afghanistan terugkeren, wel deugdelijk motiveren of met het verblijf in het Westen in onderlinge samenhang bezien met de andere individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade dreigt. Het is aan een vreemdeling die stelt dat hij onder meer door zijn verblijf in het Westen bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal krijgen, om aannemelijk te maken waarom juist hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen en waaruit die bestaan. De minister moet bij zijn beoordeling of een vreemdeling dat aannemelijk heeft gemaakt alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen in onderlinge samenhang bezien. Daartoe behoort ook de factor dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
4. Appellant betoogt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij wegens de werkzaamheden die hij in Bagram voor het Amerikaanse leger heeft verricht, bij zijn terugkeer naar Afghanistan doelwit van de Taliban kan zijn. De minister heeft die werkzaamheden geloofwaardig gevonden. De minister heeft ongeloofwaardig gevonden dat appellant in de periode dat hij deze werkzaamheden verrichtte, is benaderd om hem over te halen om het voor de Taliban mogelijk te maken om het militaire terrein van de Amerikanen te betreden, en voorts dat enkele maanden hierna de broer van appellant in zijn plaats is vermoord. Verder heeft de minister van belang geacht dat appellant in januari 2019 vanuit Iran naar Afghanistan is teruggekeerd en er ruim zes maanden heeft verbleven, voordat hij opnieuw uit Afghanistan is vertrokken. Het vorenstaande zegt echter niets over de problemen die appellant nu met de Taliban vreest te krijgen wegens zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger. Inmiddels is de situatie in Afghanistan immers veranderd, omdat de Taliban de macht in het hele land hebben overgenomen. Appellant heeft gewezen op informatie uit het Algemene Ambtsbericht Afghanistan van 30 juni 2023. Daarin staat in paragraaf 3.1.4.1 dat personen die gewerkt hebben met of geassocieerd werden met westerse troepen tijdens de verslagperiode, van april 2022 tot en met mei 2023, het slachtoffer van wraakacties zijn geworden. Volgens een bron waren personen die gewerkt hebben voor de Amerikaanse troepen, kwetsbaarder dan degenen die voor de troepen van andere mogendheden hebben gewerkt. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld of appellant wegens zijn werkzaamheden voor het Amerikaanse leger, die de Taliban volgens voormelde landeninformatie problematisch vinden, in combinatie met de omstandigheden dat de Taliban inmiddels aan de macht zijn en appellant kan opvallen door zijn terugkeer uit het Westen, een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb dan ook ondeugdelijk gemotiveerd.
4.1. De grief slaagt.
5. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
6. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het besluit van 14 november 2024. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij een nieuwe risico-inschatting maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2026 in zaak nr. NL24.42534;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 14 november 2024, V-[…];
V. wijst het verzoek af;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.857,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 55,00 in verband met de bij de zitting in beroep aanwezige tolk.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
598