Uitspraak BRS.25.001488
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3115
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001488
ECLI:NL:RVS:2026:3115
Datum uitspraak: 4 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 oktober 2025 in zaak nr. NL25.6391 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J. Eizenga, advocaat in Amerongen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat zij loopt door haar afvalligheid bij terugkeer naar Iran, slaagt.
2. De eerste en tweede grief slagen alleen al hierom.
3. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het verlangen van terughoudendheid vooralsnog niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 22 januari 2025. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 oktober 2025 in zaak nr. NL25.6391;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 22 januari 2025, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026
309-1170