Uitspraak BRS.26.002386 en BRS.26.002387
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3095
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002386 en BRS.26.002387
ECLI:NL:RVS:2026:3095
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 mei 2026 in zaak nr. NL26.5790 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Roest, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Appellant heeft bij brief van 13 mei 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij zich niet kan verenigen met de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-formahogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 19 mei 2026. Omdat appellant geen gronden heeft ingediend, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar‑omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
363-1088