Uitspraak BRS.26.002425
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3099
- Datum uitspraak
- 1 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002425
ECLI:NL:RVS:2026:3099
Datum uitspraak: 1 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 april 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 21 april 2026, in zaak nr. NL25.34419 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 17 april 2026, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 21 april 2026, heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkene betoogt dat het hoger beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zijn, omdat de minister het hogerberoepschrift niet tijdig heeft ingediend.
1.1. Aan de uitspraak van de rechtbank is een rechtsmiddelenvoorlichting toegevoegd, waarin een hogerberoepstermijn van vier weken staat. De minister heeft binnen die termijn hoger beroep ingesteld. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2781, onder 2, volgt dat in die situatie, ook al zou het hoger beroep niet tijdig zijn ingesteld, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de minister in verzuim is geweest.
2. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
3. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026
977