Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.000578

Uitspraak BRS.26.000578

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2955
Datum uitspraak
1 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 januari 2026 heeft Bij besluit van 18 januari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. appellant in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.000578
ECLI:NL:RVS:2026:2955
Datum uitspraak: 1 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 29 januari 2026 in zaak nr. NL26.3707 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Appellant klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd heeft.

1.1.        Appellant heeft de Roemeense nationaliteit. Zijn verblijfsrecht als Unieburger is op 1 juni 2023 beëindigd, omdat appellant overtredingen en misdrijven heeft gepleegd in Nederland. Op 31 augustus 2023 is hij uitgezet naar Roemenië. Op 3 november 2025 is appellant in Nederland strafrechtelijk aangehouden. Appellant heeft verklaard dat hij één jaar en zes maanden in Roemenië heeft verbleven. Ter onderbouwing van dit verblijf heeft hij twee arbeidsovereenkomsten van Roemeense werkgevers overgelegd uit 2024. Hoewel appellant geen salarisstroken heeft overgelegd om te onderbouwen dat hij in de betrokken periode daadwerkelijk arbeid heeft verricht in Roemenië, heeft hij hiermee zijn verblijf in Roemenië aannemelijk gemaakt. De minister heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat appellant eerder dan begin 2025 in Nederland heeft verbleven. Zo is appellant tussen 31 augustus 2023 en 3 november 2025 niet met de Koninklijke Marechaussee of met de politie in aanraking gekomen, terwijl hij daar vanaf 2019 tot en met zijn uitzetting op 31 augustus 2023 wel veelvuldig mee te maken heeft gehad. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit en zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De Afdeling wijst daarbij ter vergelijking op haar uitspraak van 20 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2760, onder 6, 6.2 en 6.3.

1.2.        Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.3.        De grief slaagt.

2.        Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punten 24 en 31). Het beroep is gegrond. Omdat de bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Ook heeft appellant recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 29 januari 2026 in zaak nr. NL26.3707;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 1.570,00, over de periode van 18 januari 2026 tot en met 30 januari 2026, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Vos
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026

1179-644


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon