Uitspraak BRS.26.001923 en BRS.26.001924
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2969
- Datum uitspraak
- 26 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 17 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant meegedeeld dat hij de termijn voor de overdracht aan Litouwen heeft verlengd tot achttien maanden.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001923 en BRS.26.001924
ECLI:NL:RVS:2026:2969
Datum uitspraak: 26 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2026 in zaak nr. NL26.9786 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 17 februari 2026 heeft de minister appellant meegedeeld dat hij de termijn voor de overdracht aan Litouwen heeft verlengd tot achttien maanden.
Bij uitspraak van 14 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De eerste en tweede grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Wat in de derde grief is aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van appellant sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en het arrest van het Hof van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 70. Appellant heeft de autoriteiten namelijk niet ingelicht over haar afwezigheid op het moment dat haar overdracht aan Litouwen zou plaatsvinden. Evenmin heeft zij met stukken onderbouwd dat in haar geval sprake was van een dusdanige medische noodsituatie, dat zij daartoe niet in staat was. Appellant heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zij niet de bedoeling had om zich aan de overdracht te onttrekken. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2878, onder 3.2.
2.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de derde grief ook geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026
644