Uitspraak BRS.26.001487
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2851
- Datum uitspraak
- 21 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de termijn van de aan appellant opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001487
ECLI:NL:RVS:2026:2851
Datum uitspraak: 21 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2026 in zaak nr. NL26.12397 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister de termijn van de aan appellant opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Bij uitspraak van 26 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Door op 26 maart 2026 schriftelijk uitspraak te doen, heeft de rechtbank binnen de in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van zeven dagen na sluiting van het onderzoek op 20 maart 2026 uitspraak gedaan. Hoewel voornoemde bepaling zal moeten worden gewijzigd vanwege artikel 11 van de hernieuwde Opvangrichtlijn (Richtlijn (EU) 2024/1346), is de nieuwe voorgestelde bepaling op dit moment nog niet van toepassing.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026
644-1102