Uitspraak 202401508/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2871
- Datum uitspraak
- 20 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202401508/1/V3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2024 in zaak nr. NL22.17171 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 15 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.G. Wiebes, advocaat in Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Appellant heeft daartegen bij de Afdeling beroepsgronden ingediend.
Op verzoek van de Afdeling heeft de minister nadere stukken ingediend.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep tegen de uitspraak van 15 februari 2024
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het hoger beroep.
Beroep tegen het besluit van 14 november 2025
3. De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 14 november 2025, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank (artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb).
3.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 februari 2024 de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen en daarbij in te gaan op de individuele omstandigheden van appellant bij de beoordeling of zij bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de minister in het besluit van 25 november 2022 niet is ingegaan op het betoog van appellant dat zij bijzonder kwetsbaar is als oudere, alleenstaande vrouw, dat zij verder geen enkele familie meer heeft in Venezuela en daar al ruim tien jaar niet meer is geweest, en dat zij uit een van de meest gewelddadige regio’s in Venezuela komt en geen ‘Carnet de la Patria’ aan wil vragen waardoor zij geen aanspraak kan maken op bepaalde overheidsvoorzieningen of pensioen.
3.2. Appellant betoogt terecht dat de minister in het besluit van 14 november 2025 opnieuw niet is ingegaan op haar betoog dat zij uit een van de meest gewelddadige regio’s in Venezuela komt. De beroepsgrond slaagt. De Afdeling is van oordeel dat de minister de overige individuele omstandigheden wel kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd.
4. Het beroep is gegrond. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling vernietigt het besluit van 14 november 2025. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. De minister moet de proceskosten vergoeden voor het beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep ongegrond;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2025, V-[…], gegrond;
III. vernietigt dat besluit;
IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
347-1149