Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.24.000100

Uitspraak BRS.24.000100

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2846
Datum uitspraak
21 mei 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.24.000100
ECLI:NL:RVS:2026:2846
Datum uitspraak: 21 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 maart 2024 in zaak nr. NL24.11637 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.K.E. van den Heuvel, advocaat in Made, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.       Betrokkene heeft naar eigen zeggen de Marokkaanse nationaliteit. De minister heeft hem in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op 26 maart 2024, de twaalfde dag van de bewaring, heeft de minister een vertrekgesprek met betrokkene gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank was dit te laat en had de minister uiterlijk op dag zes van de bewaring een eerste daadwerkelijke handeling gericht op de uitzetting moeten verrichten. Zij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989.

Hoger beroep

2.       De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister tijdens de bewaring onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Beoordeling

2.1.    De grief slaagt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, onder 6.1, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat er niet onverkort een vast aantal dagen geldt waarbinnen een eerste handeling moet worden verricht voor de conclusie dat hij voldoende voortvarend heeft gewerkt aan een uitzetting. Bij de beoordeling of de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, bestaat steeds ruimte voor het meewegen van de relevante feiten en omstandigheden van het geval.

2.2.    De minister wijst er in de grief op dat hij op 8 maart 2024 een aanvraag voor een laissez-passer heeft ingediend en dat deze aanvraag tijdens de bewaring nog in behandeling was. Volgens de minister heeft hij daarmee de noodzakelijke en vereiste activiteiten voor de terugkeer van betrokkene al kort voor de bewaring verricht. De minister betoogt terecht dat dit een relevant feit is als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van 23 februari 2024. Bovendien heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van betrokkene niet vergelijkbaar is met die in de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989, waarnaar de rechtbank heeft verwezen. Betrokkene zat voorafgaand aan de voorliggende maatregel namelijk in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Nadat de minister een asielverzoek van betrokkene had afgewezen als kennelijk ongegrond, heeft de minister de maatregel op de laatstgenoemde grondslag opgeheven en betrokkene aansluitend in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Van een geplande inbewaringstelling of geplande overdracht vanuit een andere lidstaat aan Nederland als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van 8 april 2020, was geen sprake. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft de minister met het vertrekgesprek op 26 maart 2024, in samenhang bezien met de kort voor de voorliggende maatregel ingediende aanvraag voor een laissez-passer, voldoende voortvarend gewerkt aan de voorbereiding van de uitzetting van betrokkene.

2.3.    De grief slaagt.

2.4.    In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

Conclusie

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 maart 2024 in zaak nr. NL24.11637;

I.        verklaart het beroep ongegrond;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Nouta
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026

922


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon