Uitspraak BRS.25.002716 en BRS.26.002388
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2855
- Datum uitspraak
- 20 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002716 en BRS.26.002388
ECLI:NL:RVS:2026:2855
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 december 2025 in zaak nr. NL23.27100 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
De staatssecretaris heeft dit besluit op 1 februari 2024 ingetrokken.
Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister vastgesteld dat appellant met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en heeft hij betrokkene opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken vanaf 4 september 2025 te verlaten.
Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het door appellant tegen de besluiten van 30 augustus 2023 en 21 augustus 2025 ingestelde beroep respectievelijk niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Wat u in het hogerberoepschrift hebt aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat hebt u niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de minister uw tijdelijke bescherming als derdelander met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen en u mocht opdragen de Europese Unie te verlaten. In hoger beroep legt u niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel geven over uw hoger beroep. Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
1143-853