Uitspraak 202600974/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2868
- Datum uitspraak
- 20 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] in het kader van de hersteloperatie toeslagen afgewezen. [wederpartij] heeft op 23 april 2024 een zogenoemde herbeoordeling van kinderopvangtoeslag aangevraagd, na afloop van de daarvoor geldende wettelijke termijn op 2 januari 2024 (artikel 6.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht)). De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag vanwege de termijnoverschrijding niet inhoudelijk beoordeeld. [wederpartij] heeft aangevoerd dat zij eerder niet op de hoogte was van de mogelijkheid van deze herbeoordeling en heeft een toelichting gegeven op haar persoonlijke situatie in de afgelopen jaren. Volgens de Dienst Toeslagen vormen die omstandigheden geen grond om de te laat ingediende aanvraag van [wederpartij], in afwijking van de wettelijke termijn, inhoudelijk te beoordelen.
- Voorlopige voorziening
- Geld
Toon inhoud
202600974/2/A2.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)), hangende het hoger beroep van:
de Dienst Toeslagen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2026 in zaak nr. 25/695 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] in het kader van de hersteloperatie toeslagen afgewezen.
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 december 2024 vernietigd, het besluit van 1 juli 2024 herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 december 2024 en bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een inhoudelijk besluit moet nemen op de aanvraag van [wederpartij].
Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft Dienst Toeslagen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Dienst Toeslagen heeft een nader stuk ingediend.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 7 mei 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en [wederpartij], bijgestaan door mr. L.C. van Kasteren, advocaat in Maastricht, en vergezeld door [persoon], via videoverbinding, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] heeft op 23 april 2024 een zogenoemde herbeoordeling van kinderopvangtoeslag aangevraagd, na afloop van de daarvoor geldende wettelijke termijn op 2 januari 2024 (artikel 6.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht)). De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag vanwege de termijnoverschrijding niet inhoudelijk beoordeeld. [wederpartij] heeft aangevoerd dat zij eerder niet op de hoogte was van de mogelijkheid van deze herbeoordeling en heeft een toelichting gegeven op haar persoonlijke situatie in de afgelopen jaren. Volgens de Dienst Toeslagen vormen die omstandigheden geen grond om de te laat ingediende aanvraag van [wederpartij], in afwijking van de wettelijke termijn, inhoudelijk te beoordelen.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 9.1 van de Wht) de aanvraag wel inhoudelijk had moeten beoordelen.
3. De Dienst Toeslagen heeft de voorzieningenrechter verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist. Volgens de Dienst Toeslagen brengt uitvoering van die uitspraak onomkeerbare gevolgen met zich, terwijl in hoger beroep nog beslist moet worden of de rechtbank juist heeft geoordeeld.
Beoordeling verzoek
4. De voorzieningenrechter kan in een geval als deze een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist (artikel 8:81 van de Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5. De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zoals ook op de zitting is besproken doet deze situatie zich niet voor. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
6. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat het inhoudelijk beoordelen van een aanvraag zoals die van [wederpartij] leidt tot de vaststelling of iemand al dan niet gedupeerde van de toeslagenaffaire is en in aanmerking komt voor de daarbij behorende herstelmaatregelen en regelingen. De Dienst Toeslagen heeft te kennen gegeven dat, als een aanvrager eenmaal is aangemerkt als gedupeerde en aan de aanvrager herstelmaatregelen zijn toegekend, hij die beslissing gestand doet. Aan ouders wordt in besluitvorming namelijk toegezegd dat zij uitgekeerde compensatie nooit hoeven terug te betalen. Dat betekent dat als hij [wederpartij] na een inhoudelijke beoordeling als gedupeerde aanmerkt en zij in aanmerking komt voor herstelmaatregelen op de voet van de Wht, dit niet wordt teruggedraaid en dat [wederpartij] eventueel uitgekeerde compensatie niet hoeft terug te betalen. Dit geldt ook als het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond blijkt te zijn en de grondslag voor het inhoudelijk beoordelen van de aanvraag van [wederpartij] door vernietiging van de uitspraak van de rechtbank wegvalt.
7. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank is de Dienst Toeslagen gehouden om een nieuw besluit te nemen. Hoewel het goed mogelijk is dat de Dienst Toeslagen niet in staat is om dat besluit te nemen voordat op het hoger beroep is beslist, valt dat ook niet uit te sluiten. Bovendien volgt uit de uitspraak van de rechtbank dat hij het nieuwe besluit al genomen had moeten hebben.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank mogelijk gevolgen meebrengt waaraan het oordeel in hoger beroep geen verandering meer zal brengen. De Dienst Toeslagen heeft daarom belang bij het niet hoeven uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank totdat op het hoger beroep is beslist.
9. Tegenover het belang van de Dienst Toeslagen staat het belang van [wederpartij], die zo snel mogelijk een inhoudelijke beslissing op haar aanvraag wil. Hoewel dat invoelbaar is, weegt bij de hiervoor genoemde stand van zaken het belang van de Dienst Toeslagen bij schorsing van de uitspraak van de rechtbank zwaarder.
Slotsom
10. De voorzieningenrechter zal de uitspraak van de rechtbank schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.
11. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2026 in zaak nr. 25/695, totdat op het hoger beroep is beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van de Riet
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
994