Uitspraak 202406528/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2839
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2024 in zaak nr. 24/1451. Het college van burgemeester en wethouders van Diemen heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. [appellant] heeft verzocht om inzage in alle persoonsgegevens die het college van hem heeft. Het college heeft dat verzoek gedeeltelijk ingewilligd. [appellant] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij ook inzage moet krijgen in de persoonsgegevens die door het college zijn verwerkt in verband met een strafrechtelijk onderzoek.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
Toon inhoud
202406528/2/A3.
Datum beslissing: 19 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Diemen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2024 in zaak nr. 24/1451 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Diemen.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2024 in zaak nr. 24/1451.
Het college heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft antwoorden op vragen van de Afdeling.
[appellant] heeft een reactie ingediend.
Overwegingen
1. [appellant] heeft verzocht om inzage in alle persoonsgegevens die het college van hem heeft. Het college heeft dat verzoek gedeeltelijk ingewilligd. [appellant] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij ook inzage moet krijgen in de persoonsgegevens die door het college zijn verwerkt in verband met een strafrechtelijk onderzoek.
De Afdeling heeft na de zitting in hoger beroep vragen gesteld aan het college. De Afdeling heeft gevraagd naar het doel van de verwerking van de geweigerde persoonsgegevens en welke bevoegdheden het college heeft om het aan de orde zijnde strafbare feit te onderzoeken.
2. Het college heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de antwoorden op deze vragen kennis zal nemen. Die redenen zijn volgens het college dat de antwoorden informatie bevatten over de persoonsgegevens waarin [appellant] geen inzage heeft gekregen.
3. [appellant] betoogt dat in dit geval geen sprake is van gewichtige redenen. Het college heeft geen concreet belang bij de geheimhouding gesteld.
4. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
5. De Afdeling heeft kennis genomen van de antwoorden. Die antwoorden bevatten informatie over de persoonsgegevens van [appellant] die hij niet heeft mogen inzien. Het college heeft de inzage in deze persoonsgegevens onder meer geweigerd omdat het het belang van voorkoming, onderzoek, opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder vindt wegen. De vraag of dit standpunt van het college juist is of dat [appellant] inzage had moeten krijgen in die informatie staat ter beoordeling in het geschil in de bodemprocedure. Daarom al kan deze informatie niet gedurende de loop van de procedure aan [appellant] worden verstrekt. Met verstrekking zou namelijk worden vooruitgelopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure; die procedure zou door de verstrekking in zoverre zinloos worden. Het belang van [appellant] weegt daarom in dit geval minder zwaar.
6. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026
290