Uitspraak BRS.26.001100
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2721
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001100
ECLI:NL:RVS:2026:2721
Datum uitspraak: 19 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 maart 2026 in zaak nr. NL26.9618 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.A. Dorsman, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister bij de oplegging van de maatregel van bewaring heeft mogen uitgaan van het feit dat in de asielprocedures van appellant is komen vast te staan dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije problemen zal ondervinden. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat ten tijde van de inbewaringstelling sprake was van nieuwe omstandigheden of informatie waaruit volgt dat appellant bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op refoulement loopt. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 7.6-7.6.1, 8-8.2 en 15.1-15.2.
1.1. Uit deze uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026
644-1182