Uitspraak 202502610/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2810
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202502610/1/V2.
Datum uitspraak: 19 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 april 2025 in zaak nr. NL24.36291 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.R.F. Berte, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Afghaanse nationaliteit en is afkomstig uit Pol-e Chomri, een stad in de provincie Baghlan. Hij stelt dat hij problemen heeft ondervonden omdat zijn vriendin [vriendin] zwanger van hem is geraakt en dat hij zich heeft afgekeerd van de islam, waardoor hij bij terugkeer vreest voor de Taliban. De minister heeft dit relaas ongeloofwaardig geacht en de asielaanvraag afgewezen. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij meerdere tatoeages heeft, waardoor hij bij terugkeer te vrezen heeft voor de Taliban. Hij heeft voorafgaand aan zijn vertrek uit Afghanistan een kleine tatoeage op zijn arm laten zetten. In Nederland heeft hij meerdere grotere tatoeages laten zetten, waaronder een tatoeage die deels op zijn hand is geplaatst. Appellant heeft verklaard dat deze tatoeages geen religieuze betekenis hebben. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn tatoeages een reëel risico op ernstige schade loopt.
Het hoger beroep
2. Wat appellant in de eerste tot en met de vierde grief aanvoert, over zijn relatie met [vriendin], de daaruit volgende problemen en zijn afvalligheid, richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank op deze punten volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over deze grieven (artikel 85 van de Vw 2000).
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn tatoeages bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. In navolging van de minister, heeft de rechtbank heeft overwogen dat uit het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 en uit het rapport EUAA Afghanistan - Country Focus van november 2024 niet volgt dat het hebben van een tatoeage leidt tot risico’s.
3.1. Appellant klaagt in de vijfde grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. Appellant heeft namelijk naast deze bronnen in beroep ook een artikel van Radio France Internationale van 25 januari 2023 overgelegd over hoe de Taliban optreden tegen Afghanen met tatoeages. Daarnaast heeft hij in hoger beroep een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 2 mei 2025 overgelegd met informatie uit verschillende openbare bronnen. Uit deze bronnen volgt dat de informatie over de risico’s voor personen met tatoeages in Afghanistan niet eenduidig is. Er zijn voorbeelden waarbij personen met tatoeages aan ernstige schade zijn blootgesteld. Zo hebben Afghanen met tatoeages verklaard dat zij deze moesten verwijderen toen de Taliban aan de macht kwamen en dat zij sindsdien risico lopen op de dood, afranselingen en gevangenisstraf. Er zijn verhalen bekend dat de Taliban tatoeages wegsnijden of wegbranden met zuur. Zoals de rechtbank zelf ook heeft overwogen, volgt uit het EUAA-rapport dat er grote verschillen (in leefstijl) bestaan tussen verschillende districten in Afghanistan, wat met zich brengt dat tatoeages in sommige delen van Kabul wel kunnen worden getoond, maar in provincies zoals Kandahar niet. Gelet op deze informatie heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd hoe dit zich verhoudt tot de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt vanwege zijn tatoeages.
3.2. De vijfde grief slaagt.
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 20 augustus 2024. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak en daarbij de door appellant aangedragen informatie over tatoeages in het licht van zijn specifieke situatie betrekken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
6.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 april 2025 in zaak nr. NL24.36291;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 20 augustus 2024, V-…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026
936-1088