Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202402500/1/A3

Uitspraak 202402500/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2913
Datum uitspraak
20 mei 2026
Inhoudsindicatie
Bij brief van 20 oktober 2021 heeft [appellant] het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van documenten over het werknemersvaardighedentraject bij de Werkmeester B.V.. Bij besluit van 22 november 2021 heeft het college dat verzoek buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Bij brief van 7 november 2021 heeft [appellant] het college verzocht om openbaarmaking van documenten over een aan hem aangeboden voorziening van Stichting Werk voor Heerlen. Bij besluit van 1 december 2021 heeft het college dat verzoek ook buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Het college heeft de tegen die besluiten gemaakte bezwaren van [appellant] kennelijk ongegrond verklaard omdat hij de verzoeken met een ander doel had gedaan dan waar de Wob voor is bedoeld. Het college heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belang heeft bij een uitspraak van de Afdeling op zijn hoger beroep in deze procedure. [appellant] heeft namelijk in een andere procedure bij de Centrale Raad van Beroep met het college een schikking getroffen.
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202402500/1/A3.
Datum uitspraak: 20 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Heerlen,
appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 maart 2024 in zaken nrs. 22/313 en 22/314 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

Procesverloop

22/313

Bij besluit van 22 november 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht.

Bij besluit van 19 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

22/314

Bij besluit van 1 december 2021 heeft het college besloten het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten niet te behandelen.

Bij besluit van 20 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

22/313 en 22/314

Bij uitspraak van 14 maart 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 19 januari 2022 en 20 januari 2022 vernietigd, het college opgedragen om binnen twaalf weken nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, en het verzoek van [appellant] om vergoeding van de schade geleden door overschrijding van de redelijke termijn gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 mei 2024 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 november 2021. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard en documenten openbaar gemaakt.

Bij besluit van 14 mei 2024 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 1 december 2021. Het college heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

[appellant] heeft gronden ingediend tegen de besluiten van 7 mei 2024 en 14 mei 2024.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. V.H.J.M. van den Heuvel, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij brief van 20 oktober 2021 heeft [appellant] het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van documenten over het werknemersvaardighedentraject bij de Werkmeester B.V.. Bij besluit van 22 november 2021 heeft het college dat verzoek buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Bij brief van 7 november 2021 heeft [appellant] het college verzocht om openbaarmaking van documenten over een aan hem aangeboden voorziening van Stichting Werk voor Heerlen. Bij besluit van 1 december 2021 heeft het college dat verzoek ook buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht. Het college heeft de tegen die besluiten gemaakte bezwaren van [appellant] kennelijk ongegrond verklaard omdat hij de verzoeken met een ander doel had gedaan dan waar de Wob voor is bedoeld.

2.       De rechtbank heeft de beroepen van [appellant] gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank een schadevergoeding van € 500,00 toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn. Bij besluit van 7 mei 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 22 november 2021 gegrond verklaard en documenten openbaar gemaakt. Bij besluit van 14 mei 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 1 december 2021 kennelijk ongegrond verklaard, omdat het college in dat besluit al had aangegeven dat na een zoekslag is gebleken dat de door [appellant] verzochte documenten niet aanwezig zijn, en na een nieuwe zoekslag die documenten niet zijn aangetroffen.

Heeft [appellant] belang bij een uitspraak?

3.       Het college heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belang heeft bij een uitspraak van de Afdeling op zijn hoger beroep in deze procedure. [appellant] heeft namelijk in een andere procedure bij de Centrale Raad van Beroep met het college een schikking getroffen. Als onderdeel van die schikking zou [appellant] alle lopende procedures intrekken, waaronder het hoger beroep in deze procedure. [appellant] heeft desgevraagd gemeld dat hij het hoger beroep in deze procedure niet intrekt, omdat hij het relevante onderdeel van de schikking betwist. Volgens het college brengt het niet nakomen van de schikking mee dat het hoger beroep en de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3.1.    Zoals het college aanvoert, heeft [appellant] een schikking getroffen met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen. Die schikking is, na telefonisch overleg tussen [appellant] en zijn advocaat, op de zitting van 12 augustus 2025 bij de Centrale Raad van Beroep namens hem getroffen door zijn advocaat en vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Onderdeel van die schikking is dat [appellant] al zijn lopende procedures intrekt. Dat [appellant] na de zitting bij de Centrale Raad van Beroep heeft gesteld dat hij niet akkoord is gegaan met dit onderdeel van de schikking, doet daaraan niet af, nu zijn advocaat hem rechtsgeldig vertegenwoordigde. De advocaat heeft bovendien schriftelijk verklaard dat deze afspraak wel onderdeel was van de schikking. De schikking gaat ook over deze procedure. Gelet daarop wordt [appellant] geacht geen belang te hebben bij een uitspraak van de Afdeling in deze procedure.

3.2.    Om dezelfde redenen wordt [appellant] ook geacht geen belang te hebben bij een uitspraak op de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 7 en 14 mei 2024.

Slotsom

4.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij een uitspraak van de Afdeling in deze procedure. De van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 7 en 14 mei 2024 zijn om die reden ook niet-ontvankelijk.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 7 mei 2024, met kenmerk BZW.24.00214.001, niet-ontvankelijk;

III.      verklaart het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 14 mei 2024, met kenmerk BZW.24.00215.001, niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Wezep
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026

844-1114


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon