Uitspraak BRS.26.000187
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2670
- Datum uitspraak
- 18 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een verzoek van appellant om hem een W- of W2-document te verstrekken, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000187
ECLI:NL:RVS:2026:2670
Datum uitspraak: 18 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 december 2025 in zaak nr. NL25.28277 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister een verzoek van appellant om hem een W- of W2-document te verstrekken, afgewezen.
Bij besluit van 4 juni 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft onder meer terecht overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2024, Changu, ECLI:EU:C:2024:748, geen verplichting voor de minister volgt om een identificerend document te verstrekken aan een derdelander die geen rechtmatig verblijf heeft en wegens een risico op refoulement niet kan worden uitgezet.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de in de vierde grief opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Wat appellant voor het overige heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 16, 19, 25 tot en met 28 en 30 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift op die punten geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer
is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026
967