Uitspraak BRS.26.001938
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2666
- Datum uitspraak
- 11 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene is geëindigd.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001938
ECLI:NL:RVS:2026:2666
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 maart 2026 in zaak nr. NL24.17703 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene is geëindigd.
Bij besluit van 25 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een verblijfsdocument verstrekt waaruit het rechtmatig verblijf van betrokkene blijkt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren tot zes weken nadat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
977