Uitspraak BRS.26.001704 en BRS.26.001705
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2653
- Datum uitspraak
- 11 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant 1 om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Bij besluit van 6 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant 2 om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001704 en BRS.26.001705
ECLI:NL:RVS:2026:2653
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende de hoger beroepen van:
[appellant1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 maart 2026 in zaken nrs. 25/5006 en 25/5447 in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant 1 om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Bij besluit van 6 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant 2 om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 19 februari 2025 heeft de minister het door appellant 1 tegen het besluit van 20 december 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 4 maart 2025 heeft de minister het door appellant 2 tegen het besluit van 6 januari 2025 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het door appellant 1 tegen het besluit van 19 februari 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door appellant 2 tegen het besluit van 4 maart 2025 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit en bepaald dat het door appellant 2 tegen het besluit van 6 januari 2025 gemaakte bezwaar ongegrond wordt verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroepen ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter is het eens met de beslissing van de rechtbank. De minister heeft uw aanvragen terecht afgewezen. De voorzieningenrechter legt hieronder uit hoe hij tot dat oordeel komt.
Het hoger beroep van appellant 1
2. De minister heeft uw aanvraag om u een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ te verlenen, afgewezen. De rechtbank vond dat die afwijzing terecht is. Het ondernemingsplan was niet compleet en de gegevens waren niet gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige.
3. U vindt dat de rechtbank u niet had mogen verwijten dat uw ondernemingsplan niet door een deskundige is gecontroleerd. U schrijft dat de minister u in de schriftelijke communicatie nooit duidelijk heeft uitgelegd dat dat moet. Daarom vraagt u om alsnog een ondernemingsplan te mogen indienen dat aan de vereisten voldoet.
3.1. In het aanvraagformulier dat u heeft ingevuld staat op pagina 4 dat de financiële bewijsstukken die u toevoegt moeten zijn gecontroleerd door een onafhankelijke externe deskundige, bijvoorbeeld een accountant of een boekhouder. Ook staat daar dat u bij uw aanvraag een ondernemingsplan moet toevoegen met daarin een marktanalyse, de balans, een omzet- en liquiditeitsprognose en een begroting. Met het besluit van 20 december 2024 is uw aanvraag afgewezen. Op pagina 4 staat een van de redenen. In uw ondernemingsplan zit geen financiële paragraaf die is opgesteld of gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige. Daarom kan de minister niet beoordelen of u een levensvatbare onderneming kunt opzetten. In de bezwaarprocedure heeft u vervolgens nog steeds geen ondernemingsplan ingediend dat door een daartoe bevoegde deskundige is gecontroleerd.
3.2. De voorzieningenrechter vindt dat het wel duidelijk is geworden uit het aanvraagformulier en de afwijzing van uw aanvraag dat uw ondernemingsplan door een onafhankelijke deskundige moet worden gecontroleerd. Dat u geen compleet ondernemingsplan heeft ingediend komt niet door onduidelijke communicatie van de minister. Als er toch onduidelijkheid bestond, had u om meer informatie kunnen vragen. U vraagt of u alsnog een compleet ondernemingsplan mag indienen. Dat kan wel, maar dan moet u een nieuwe aanvraag doen. Dat kan niet in deze procedure.
4. De stappen die u heeft ondernomen om uw onderneming op te zetten, maken niet dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Daarmee is het ontbreken van een compleet ondernemingsplan namelijk niet gerepareerd.
5. U schrijft dat u al acht jaar in Nederland woont en dat uw echtgenote en twee kinderen ook moeten vertrekken als u moet vertrekken. U doet een beroep op het recht op gezinsleven. De voorzieningenrechter begrijpt dat moeten vertrekken voor jullie ingrijpend is. Een beroep op het recht op gezinsleven geeft geen recht op een verblijfsvergunning als geen van de gezinsleden rechtmatig verblijf in Nederland heeft. U kunt uw gezinsleven in Suriname voortzetten. Uw recht op gezinsleven of dat van uw gezin wordt met de afwijzing van de aanvraag niet geschonden. Dat heeft de rechtbank terecht geoordeeld.
Het hoger beroep van appellant 2
6. Uw aanvraag om de geldigheidsduur van uw verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ te verlengen is afgewezen. Hiervoor is uitgelegd dat de minister de aanvraag van uw echtgenoot terecht heeft afgewezen. Uw verblijfsvergunning is afhankelijk van die van uw echtgenoot. Omdat zijn aanvraag is afgewezen, is uw aanvraag ook terecht afgewezen. Dat heeft de rechtbank terecht geoordeeld.
Geen reden om prejudiciële vragen te stellen
7. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de voorzieningenrechter moet nagaan of een zaak aanleiding geeft om het Hof te vragen het toepasselijke Unierecht uit te leggen. Dat is in deze zaak niet nodig, omdat de hogerberoepschriften geen vragen oproepen over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de verzoeken om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
1020