Uitspraak 202504675/4/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2658
- Datum uitspraak
- 8 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Tijdens de zitting op 16 april 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J.F. de Groot als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 202504675/3/R1. De zaak waarin [verzoeker] het verzoek om wraking heeft ingediend, betreft een verzet tegen de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2025, zaak nr. 202504675/2/R1. In die uitspraak heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak op verzet van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2025 in zaak nr. 25/1863. De Afdeling heeft daarin overwogen dat geen grond bestaat voor een zogenoemde doorbreking van het appelverbod, omdat het betoog van [verzoeker] geen grond biedt voor het oordeel dat geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden.
- Wraking
- Bouwen
Toon inhoud
202504675/4/R1
Datum beslissing: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna samen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend in [woonplaats],
verzoekers,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Tijdens de zitting op 16 april 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking van staatsraad mr. J.F. de Groot als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van zaak nr. 202504675/3/R1.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft schriftelijke reacties gegeven.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter zitting behandeld op 29 april 2026, waar [verzoeker] is verschenen.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. De zaak waarin [verzoeker] het verzoek om wraking heeft ingediend, betreft een verzet tegen de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2025, zaak nr. 202504675/2/R1. In die uitspraak heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak op verzet van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2025 in zaak nr. 25/1863. De Afdeling heeft daarin overwogen dat geen grond bestaat voor een zogenoemde doorbreking van het appelverbod, omdat het betoog van [verzoeker] geen grond biedt voor het oordeel dat geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden.
3. [verzoeker] heeft aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad tijdens de zitting van 16 april 2026 de schijn heeft gewekt dat hij vooringenomen is. Volgens [verzoeker] ging de staatsraad niet in op de gronden van verzet, maar beperkte hij zich tijdens de zitting tot de vraag waarom er geen eerlijk proces zou hebben plaatsgevonden. Daarbij wees de staatsraad tijdens de zitting op een passage uit de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2025. Hiermee heeft de staatsraad volgens [verzoeker] de schijn gewekt dat hij vooringenomen is.
4. De Afdeling deelt niet het standpunt van [verzoeker] dat de staatsraad de schijn heeft gewekt dat hij vooringenomen is. Het enkele feit dat de staatsraad heeft gewezen op een passage in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2025 waarmee [verzoeker] het niet eens is, maakt niet dat de staatsraad de schijn heeft gewekt vooringenomen te zijn. De staatsraad heeft in zijn nadere reactie van 28 april 2026 toegelicht dat hij [verzoeker] op de zitting de vraag heeft voorgelegd hoe de Afdeling uit de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant moet afleiden dat zijn kernargument, namelijk dat hij nooit een aanvraag voor een burgerwoning heeft ingediend, door de rechtbank is genegeerd als gevolg waarvan geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden. De staatsraad heeft verder toegelicht dat hij deze vraag nodig heeft geacht om tot een oordeel te komen over de vraag of een eerlijk proces heeft plaatsgevonden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Afdeling ziet hierin geen aanwijzing dat de staatsraad op de zitting van 16 april 2026 de schijn heeft gewekt dat hij vooringenomen is.
5. [verzoeker] heeft verder in zijn wrakingsverzoek en op zitting diverse inhoudelijke aspecten van zijn verzetsprocedure bij de Afdeling aan de orde gesteld. Zoals ook tijdens de zitting is aangegeven, beperkt de opdracht van de wrakingskamer zich tot de beoordeling of de handelingen van de staatsraad blijk geven van vooringenomenheid en mag de wrakingskamer in dat verband alleen de vraag beantwoorden of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit is in de kern de wettelijke norm die is opgenomen in artikel 8:15 van de Awb. Aan de behandeling van de betogen van [verzoeker] die betrekking hebben op de inhoud van de zaak, komt de wrakingskamer daarom niet toe.
6. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Het verzoek om wraking wordt dan ook afgewezen. Het verzoek van [verzoeker] om vergoeding van zijn kosten in verband met zijn wrakingsverzoek, wordt daarom ook afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026
987