Uitspraak BRS.26.000909 en BRS.26.000910
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2637
- Datum uitspraak
- 8 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 11 september 2009, 28 januari 2010 en 6 september 2010, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000909 en BRS.26.000910
ECLI:NL:RVS:2026:2637
Datum uitspraak: 8 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 18 februari 2026 in zaak nr. NL25.53656 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en een verzoek van appellant om bestuurlijke heroverweging van de besluiten van 11 september 2009, 28 januari 2010 en 6 september 2010, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de minister daarin niet heeft beslist op het verzoek van appellant om een verblijfsvergunning vanwege schrijnende omstandigheden en bepaald dat de minister een nieuw besluit op dit verzoek neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter neemt de motivering onder 6.1, 7.2 en 10 van de uitspraak van de rechtbank over. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van Justitie van 15 februari 2016, J.N., ECLI:EU:C:2016:84, punten 75 en 76, en van 20 oktober 2022, UP, ECLI:EU:C:2022:810, punten 44 tot en met 47, waarin het Hof is ingegaan op de rechtsgevolgen van een eerder genomen terugkeerbesluit bij een nieuwe aanvraag.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026
625