Uitspraak BRS.26.002124 en BRS.26.002126
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2546
- Datum uitspraak
- 6 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002124 en BRS.26.002126
ECLI:NL:RVS:2026:2546
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 april 2026 in zaak nr. NL25.63118 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Appellant heeft bij brief van 28 april 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-formahogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 28 april 2026. Omdat appellant geen gronden heeft ingediend, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
977