Uitspraak BRS.26.001231
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2493
- Datum uitspraak
- 4 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001231
ECLI:NL:RVS:2026:2493
Datum uitspraak: 4 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 maart 2026 in zaak nr. NL26.9780 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Appellant en de minister hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Appellant werpt in zijn eerste grief de vraag op of, en zo ja hoe, het betrachten van onvoldoende voortvarendheid tijdens een eerdere maatregel van bewaring beoordeeld dient te worden bij de toetsing van de rechtmatigheid van een opvolgende maatregel van bewaring op een andere grondslag. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, onder 5.2, kan uit het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, Bouskoura, ECLI:EU:C:2024:868, worden afgeleid dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel in beginsel geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van een opvolgende, op een andere autonome grondslag gebaseerde maatregel. De bevoegde rechterlijke autoriteit is daarom niet verplicht om deze persoon onmiddellijk in vrijheid te stellen op de enkele grond dat een eerdere vastgestelde bewaringsmaatregel onrechtmatig is. Noch dit arrest, noch enige bepaling van Unierecht bevat een aanknopingspunt voor het oordeel dat dit anders is als de gestelde onrechtmatigheid voortvloeit uit een gebrek aan voortvarendheid.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Ook voor het overige leidt het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn er voor het overige geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026
846