Uitspraak BRS.26.001535
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2488
- Datum uitspraak
- 4 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001535
ECLI:NL:RVS:2026:2488
Datum uitspraak: 4 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 maart 2026 in zaak nr. NL25.48297 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, en het beroep gegrond verklaard, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering, en het besluit in zoverre vernietigd. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en betrokkene hoger beroep ingesteld. Ook heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Het hoger beroep vergt nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom en gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026
846-1161