Uitspraak BRS.25.002549
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2489
- Datum uitspraak
- 4 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002549
ECLI:NL:RVS:2026:2489
Datum uitspraak: 4 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 december 2025 in zaak nr. NL25.53187 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat in Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant heeft de Pakistaanse nationaliteit. De minister heeft geloofwaardig geacht dat hij christen is. Appellant heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet kan terugkeren naar Pakistan wegens een incident op het werk, waarna hij zou zijn beschuldigd van blasfemie. De minister vindt deze problemen niet geloofwaardig.
2. De eerste grief is gericht tegen het ontbreken van een oordeel van de rechtbank over de documenten die appellant op 2 december 2025, hangende het beroep, heeft geüpload in het rechtbankdossier met een begeleidend bericht over de inhoud van die documenten. Het gaat om een brief van een Nederlandse pastoor over psalm 23 en een berichtenwisseling tussen deze pastoor en een collega-pastoor uit Pakistan. De collega-pastoor schrijft onder meer dat appellant is beschuldigd van blasfemie en dat hij gevonden kan worden door het nummer op zijn identiteitskaart.
2.1. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank deze documenten niet op een kenbare wijze in haar oordeel heeft betrokken. Dat was wel van belang, omdat met name de brief van de collega-pastoor informatie bevat over een belangrijk deel van het asielrelaas van appellant, te weten de blasfemiebeschuldiging. Volgens appellant is de brief ook een onderbouwing van de fatwa die hij bij het nader gehoor als kopie van een screenshot heeft overgelegd. De rechtbank heeft deze brief niet in strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling gelaten, maar er ook niet expliciet een oordeel over gegeven. Daardoor blijft onduidelijk wat de bewijswaarde van deze brief is in het licht van de verklaringen over de blasfemiebeschuldiging en de verspreiding van de fatwa, terwijl dit essentiële elementen van het asielrelaas zijn. Door dit na te laten, heeft de rechtbank niet in overeenstemming met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb en artikel 83 van de Vw 2000, kenbaar rekening gehouden met gegevens die na het besluit zijn aangevoerd en relevant kunnen zijn voor een verblijfsvergunning asiel.
2.2. De eerste grief slaagt.
3. In de dertiende grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat zij appellant deels volgt in zijn beroepsgronden, maar dit niet betekent dat het beroep gegrond is.
3.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het asielverzoek terecht heeft afgewezen, ook al heeft zij geoordeeld dat het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de problemen op meerdere punten onjuist is. De rechtbank heeft erop gewezen dat zij bepaalde tegenwerpingen wel voldoende gemotiveerd acht, waaronder het feit dat appellant geen enkel bewijs kon overleggen van zijn werkzaamheden bij het betreffende bedrijf en hij zelf geen poging heeft ondernomen om de echtheid of herkomst van de fatwa nader te bevestigen.
3.2. De rechtbank heeft over verschillende tegenwerpingen van de minister overwogen dat deze onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd. Het gaat om de tegenwerping over het al dan niet kunnen citeren van een psalm tijdens het incident met de koran, het moment van de bekendheid van het geloof van appellant op de werkvloer, de vraag of bij indiensttreding al duidelijk was dat hij christen was en de vraag op welke wijze hij kon ontkomen bij het incident. De rechtbank heeft daarmee een substantieel deel van de tegenwerpingen over het incident op het werk onvoldoende deugdelijk gemotiveerd geacht. Appellant wijst er terecht op dat hij heeft verklaard dat dit incident heeft geleid tot de blasfemiebeschuldiging. Dit is een belangrijk element van het asielrelaas. De rechtbank heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom ook na het wegvallen van voormelde tegenwerpingen de minister de verklaringen van appellant over de problemen naar aanleiding van dit incident op het werk nog steeds ongeloofwaardig mag vinden. Daarbij komt, zoals hiervoor overwogen, ook nog dat niet duidelijk is hoe de in beroep overgelegde stukken over het asielrelaas meewegen in het oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid.
3.3. De dertiende grief slaagt.
4. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat appellant verder aanvoert te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 29 oktober 2025. De minister moet een nieuw besluit nemen waarin hij opnieuw de overgelegde documenten in samenhang met de verklaringen van appellant beoordeelt. Het is aan de minister om, in samenwerking met appellant, te beoordelen of daarvoor nader onderzoek nodig is. Bijvoorbeeld in de vorm van tactisch onderzoek naar de fatwa (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:700, onder 3 tot en met 3.2.) De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 december 2025 in zaak nr. NL25.53187;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 29 oktober 2025, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026
984