Uitspraak BRS.24.000425
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2473
- Datum uitspraak
- 1 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.24.000425
ECLI:NL:RVS:2026:2473
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.24213 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Ook betrokkene heeft nadere stukken ingediend. De minister heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1. Bij het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van betrokkene. Uit de nadere stukken van betrokkene blijkt echter dat hij inmiddels - zoals hij ook wil - is opgenomen in de Zwitserse asielprocedure. Een overdracht aan Bulgarije is niet meer aan de orde en de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag. Hij heeft in zoverre geen belang meer bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Dat belang is in dit geval evenmin gelegen in de precedentwerking die kan uitgaan van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft de rechtsvraag die de minister in hoger beroep aan de orde stelt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en Turkse asielzoekers in Bulgarije, ondertussen namelijk beantwoord in haar uitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
18-1085