Uitspraak BRS.26.001060 en BRS26001061
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2461
- Datum uitspraak
- 1 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001060 en BRS26001061
ECLI:NL:RVS:2026:2461
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 januari 2026 in zaak nr. 24/11564 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 13 juli 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Binnendijk, rechtsbijstandverlener in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 11 februari 2026. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend.
2. De gemachtigde van appellant betoogt dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht wegens een acute medische situatie tijdens de termijn voor hoger beroep. Om dit te onderbouwen heeft zij een brief van een behandelaar van 18 februari 2026 en een afsprakenoverzicht van 1 februari 2024 tot en met 18 februari 2026 overgelegd. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat zij heeft geprobeerd om een advocaat te vinden die de zaak van haar kan overnemen, maar dat dit niet is gelukt. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een e-mailwisseling met drie advocaten van 18 januari 2026 tot en met 16 februari 2026 overgelegd.
3. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kan worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Als de indiener wordt bijgestaan door een (professionele) rechtshulpverlener, komt het handelen van de rechtshulpverlener in beginsel voor risico van de indiener. Persoonlijke omstandigheden van de rechtshulpverlener kunnen ertoe leiden dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend. Bij een professionele rechtshulpverlener moet het dan gaan om (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden.
4. Uit wat de gemachtigde van appellant in het hogerberoepschrift als reden voor de te late indiening heeft aangevoerd, blijkt onvoldoende van zulke heel bijzondere persoonlijke omstandigheden. Uit de brief van de behandelaar en het afsprakenoverzicht volgt dat de gemachtigde in ieder geval van februari 2024 tot en met februari 2026 onder behandeling stond, dat zij een behandeling heeft gevolgd die grotendeels online is verlopen en dat zij in die tijd zes fysieke afspraken heeft gehad. Hieruit blijkt onvoldoende dat de gemachtigde juist tijdens de hogerberoepstermijn wegens een acute situatie niet in staat was om tijdig hoger beroep in te stellen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde sinds februari 2024 onder behandeling stond. In die tijd heeft zij tijdens de beroepsfase op 3 augustus 2024 beroepsgronden ingediend bij de rechtbank en is zij op 21 oktober 2025 op de zitting bij de rechtbank verschenen. De gemachtigde heeft onvoldoende uitgelegd waarom het desondanks niet mogelijk voor haar was om tijdig hoger beroep in te stellen. Ook heeft zij gelet hierop onvoldoende uitgelegd dat zij pas voor het eerst tijdens de hogerberoepstermijn op zoek ging naar vervanging. Het gaat bovendien niet om een geringe termijnoverschrijding, maar om bijna drie weken.
5. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
6. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
987