Uitspraak BRS.26.001234 en BRS.26.001235
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2401
- Datum uitspraak
- 1 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 27 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001234 en BRS.26.001235
ECLI:NL:RVS:2026:2401
Datum uitspraak: 1 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2], mede voor hun minderjarige kind en [appellant 3]
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 maart 2026 in zaken nrs. NL25.59347, NL25.59348 en NL25.59349 in de gedingen tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 27 november 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraken van 9 maart 2026 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D.W. Beemers, advocaat in Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep berust namelijk op een onjuiste lezing van die uitspraak. Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank niet vastgesteld dat de minister in de geloofwaardigheidsbeoordeling niet alsnog alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang heeft betrokken. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, waarbij hij uitgebreid is ingegaan op de verklaringen van appellanten en de door hen overgelegde documenten. Appellanten betwisten deze inhoudelijke beoordeling niet.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellanten opgeworpen vraag of het in deze zaak toegepaste toetsingskader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met de verplichting uit het Unierecht om alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang te bezien en daarbij alle verklaringen en documenten te betrekken, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026
915-1088