Uitspraak 202206902/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2154
- Datum uitspraak
- 20 april 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2022 in zaak nr. 21/4136. In die zaak gaat het over het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om documenten 1 tot en met 9A in de door de minister ingediende ‘Inventarislijst zienswijzen’. Ten eerste gaat het om ongeschoonde versies van de zienswijzen van derden via e-mail, waarin de persoonsgegevens van de behandelende ambtenaren en de bij de Wob-stukken betrokken ambtenaren en de individuele e-mailadressen van twee Tweede Kamerleden zijn opgenomen. Volgens de minister is dat privacygevoelige informatie die bovendien ook is opgenomen in één of meer documenten waarvan de openbaarmaking het voorwerp van het geschil is. Ten tweede gaat het om de bijlagen van deze zienswijzen. Dat zijn de aan de derden verstrekte versies van de Wob-stukken, waarin de te weigeren passages transparant zijn gekaderd. Met een oordeel over de geheimhouding van deze stukken zou volgens de minister vooruitgelopen worden op het oordeel in de bodemprocedure. Ten derde is in de zienswijze met nummer 4 een passage gelakt, omdat daarin een gesuggereerde motivering van het Wob-besluit van de minister is opgenomen.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202206902/2/A3.
Datum beslissing: 20 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2022 in zaak nr. 21/4136 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2022 in zaak nr. 21/4136. In die zaak gaat het over het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
De minister heeft de vertrouwelijke versies van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft verschillende (ongeschoonde versies van) door derden ingediende zienswijzen en daarbij opgenomen bijlagen over de voorgenomen besluiten van de minister op het Wob-verzoek van [appellant].
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om documenten 1 tot en met 9A in de door de minister ingediende ‘Inventarislijst zienswijzen’. Ten eerste gaat het om ongeschoonde versies van de zienswijzen van derden via e-mail, waarin de persoonsgegevens van de behandelende ambtenaren en de bij de Wob-stukken betrokken ambtenaren en de individuele e-mailadressen van twee Tweede Kamerleden zijn opgenomen. Volgens de minister is dat privacygevoelige informatie die bovendien ook is opgenomen in één of meer documenten waarvan de openbaarmaking het voorwerp van het geschil is. Ten tweede gaat het om de bijlagen van deze zienswijzen. Dat zijn de aan de derden verstrekte versies van de Wob-stukken, waarin de te weigeren passages transparant zijn gekaderd. Met een oordeel over de geheimhouding van deze stukken zou volgens de minister vooruitgelopen worden op het oordeel in de bodemprocedure. Ten derde is in de zienswijze met nummer 4 een passage gelakt, omdat daarin een gesuggereerde motivering van het Wob-besluit van de minister is opgenomen.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. In de bijlagen van de per e-mail gegeven zienswijzen zijn Wob-stukken opgenomen, waarin de passages die de minister wilde lakken transparant zijn gekaderd. Verder zijn in de zienswijzen persoonsgegevens opgenomen van de behandelende ambtenaren en de bij de Wob-stukken betrokken ambtenaren. De persoonsgegevens van ambtenaren zijn ook in de Wob-stukken gelakt. Verder zijn de individuele e-mailadressen van twee Tweede Kamerleden in de zienswijzen gelakt. De contactinformatie van de twee Kamerleden is ook niet openbaar gemaakt in de Wob-stukken. De vraag of het achterwege blijven van volledige inzage in de bovengenoemde Wob-stukken terecht is, staat ter beoordeling in het geschil in de bodemprocedure. Reeds omdat de vraag of het achterwege blijven van het verstrekken van deze informatie terecht is het onderwerp van geschil vormt, kan deze informatie, evenals soortgelijke informatie, niet gedurende de loop van de procedure aan [appellant] worden verstrekt. Met verstrekking zou in zoverre worden vooruitgelopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure; die procedure zou door de verstrekking in zoverre zinloos worden. De Afdeling acht het verzoek tot beperkte kennisneming van de zienswijzen en de bijlagen daarvan, in zoverre gerechtvaardigd.
4. Ten aanzien van de gelakte passage in zienswijze met nummer 4 van een betrokken ambtenaar, namelijk de voorlaatste zin van de e-mail van 22 februari 2021, stelt de Afdeling voorop dat een zienswijze een op de zaak betrekking hebbend stuk is waarin de opvatting van een belanghebbende over een door het bestuursorgaan te nemen besluit is opgenomen. De aard en betekenis van een zienswijze brengen mee dat deze in beginsel ongeschoond van de processtukken deel behoort uit te maken. Dat is echter anders als het gaat om informatie die direct samenhangt met informatie uit de stukken waarop het verzoek om openbaarmaking van [appellant] ziet. Het gaat in dit geval om een (juridische) onderbouwing van het standpunt van de belanghebbende in de zienswijze op de openbaarmaking. Het enkele feit dat in deze passage van de betrokken ambtenaar een motivering van de gedeeltelijke weigering van openbaarmaking van een Wob-stuk is gesuggereerd, terwijl de minister zoals hij heeft opgemerkt zijn besluit heeft gebaseerd op een andere motivering, betekent niet dat [appellant] in het geheel geen kennis mag nemen van deze passage. De passage ziet weliswaar op een Wob-stuk, maar een deel van deze informatie is opgenomen in het gedeelte van het Wob-stuk dat reeds openbaar is gemaakt en dat deel van de passage werpt geen licht op de inhoud van de gelakte informatie van het Wob-stuk. Het betreft het eerste deel van de vierde zin van de e-mail tot en met de eerste haakjes sluiten. Dat deel van de passage maakt bovendien onderdeel uit van de totstandkoming van de besluitvorming op het Wob-verzoek van [appellant], wat van belang is voor zijn procesvoering. Voor dit deel van de zienswijze acht de Afdeling de beperkte kennisneming daarom niet gerechtvaardigd.
5. De Afdeling acht daarom het verzoek van de minister tot beperkte kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd.
6. Als de minister geen gehoor geeft aan het in dictumonderdeel II aangeduide verzoek om een geschoonde versie van de zienswijze over te leggen, kan de Afdeling daaraan gevolgen verbinden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af voor wat betreft het in overweging 4 genoemde gedeelte van de passage van de zienswijze met nummer 4;
II. verzoekt de minister binnen zeven dagen na heden een geschoonde versie van de zienswijze aan de Afdeling en [appellant] toe te sturen;
III. wijst het verzoek voor het overige toe.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026
1100