Uitspraak BRS.26.001097
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2112
- Datum uitspraak
- 17 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant de toegang tot Nederland geweigerd en haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001097
ECLI:NL:RVS:2026:2112
Datum uitspraak: 17 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 maart 2026 in zaak nr. NL26.9693 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister appellant de toegang tot Nederland geweigerd en haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geconcludeerd dat bij de beoordeling of de toegang moet worden geweigerd, geen ruimte meer is voor een Unierechtelijke evenredigheidstoets. Daarbij is van belang dat in artikel 14 van de Schengengrenscode dwingend is bepaald dat de toegang moet worden geweigerd aan personen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 6. Betrokkene voldeed niet aan deze voorwaarden, omdat zij bij aankomst op Schiphol niet in het bezit was van een geldig reisdocument.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de eerste grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Ook de tweede en de derde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.1 en 6.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede en de derde grief geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze grieven geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026
907