Uitspraak 202405005/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2046
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant sub 1] en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 5 juli 2024 in zaak nr. 23/123. De minister heeft twee documenten overgelegd en de Afdeling verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft kennisgenomen van deze twee documenten.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Hoger beroep
- Openbaarheid
Toon inhoud
202405005/2/A3.
Datum beslissing: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],
2. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 5 juli 2024 in zaak nr. 23/123 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
de minister.
Procesverloop
[appellant sub 1] en de minister hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 5 juli 2024 in zaak nr. 23/123.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van twee gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis daarvan zal mogen nemen.
Overwegingen
1. De minister heeft twee documenten overgelegd en de Afdeling verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft kennisgenomen van deze twee documenten.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. Eén document is een concept van een verklaring van overbrenging van 18 februari 2021. Dit document is onderwerp van geschil in de hoofdzaak. Daarover zal de geheimhoudingskamer van de Afdeling, gelet op artikel 8:29, zesde lid, van de Awb, geen beslissing nemen.
4. Het andere document dat de minister heeft overgelegd is de daadwerkelijke verklaring van overbrenging van 28 november 2022. Dit document valt buiten de reikwijdte van het verzoek op grond van de Wet open overheid en de minister heeft verzocht dat alleen de bestuursrechter kennis mag nemen vanwege het bestaan van gewichtige redenen. De minister heeft daarbij verklaard dat in deze verklaring andere namen zijn opgenomen dan in het concept van 18 februari 2021.
5. De Afdeling is van oordeel dat geen gewichtige redenen bestaan op basis waarvan alleen de bestuursrechter kennis mag nemen van de verklaring van 28 november 2022. De namen in het document zijn van personen die in de uitoefening van hun functie in de openbaarheid treden. Zij kunnen daarom in mindere mate een beroep doen op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het verzoek is daarom niet gerechtvaardigd.
6. De Afdeling zal het verzoek om beperkte kennisname afwijzen en de verklaring van 28 november 2022 terugsturen. Als de minister van oordeel is dat dit stuk alsnog onderdeel moet uitmaken van het dossier, is het aan hem om een ongelakte versie van dit document te overleggen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1071