Uitspraak 202400965/5/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2125
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn het bestemmingsplan "Rijnpark-Hoogewaard West, Koudekerk aan den Rijn" vastgesteld. Deze zaak gaat over het plan om een nieuw bedrijventerrein mogelijk te maken ten zuidoosten van de kern van Koudekerk aan den Rijn. In het oostelijke deel van het plangebied lag in het verleden een cementfabriek, en in het westelijke deel een manege. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft de raad bij besluit van 14 november 2024 het bestemmingsplan vastgesteld. Dat besluit is eerder bij uitspraak van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1801, door de voorzieningenrechter van de Afdeling geschorst, omdat het bestemmingsplan er niet aan in de weg stond dat het plangebied volledig kon worden verhard en de realisatie van de beoogde 3100 m² aan waterberging niet in de planregels was geborgd. [appellante sub 2] en anderen betogen dat zij wateroverlast zullen krijgen als gevolg van de omgevingsvergunning van 31 januari 2026.
- Voorlopige voorziening
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202400965/5/R3.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn,
2. [appellante sub 2] en anderen, allen gevestigd respectievelijk wonend in Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnpark-Hoogewaard West, Koudekerk aan den Rijn" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 1] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Niersman Projectontwikkeling B.V. en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, [appellant sub 1], [appellante sub 2] en anderen, en Niersman Projectontwikkeling B.V. en anderen hebben hun zienswijzen daarop gegeven.
[appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[appellante sub 2] en anderen, de raad, en Niersman Projectontwikkeling B.V. en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 april 2026 op een zitting behandeld, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. D. Heuker of Hoek, advocaat in ’s-Hertogenbosch, [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld van [personen], en de raad, vertegenwoordigd door ing, R. Prins, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting Niersman Projectontwikkeling B.V. en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.M. van Koeveringe-Dekker, advocaat in Middelburg, vergezeld van [personen], als partij gehoord.
Overwegingen
Voorlopig karakter
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 23 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3. Deze zaak gaat over het plan om een nieuw bedrijventerrein mogelijk te maken ten zuidoosten van de kern van Koudekerk aan den Rijn. In het oostelijke deel van het plangebied lag in het verleden een cementfabriek, en in het westelijke deel een manege. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft de raad bij besluit van 14 november 2024 het bestemmingsplan vastgesteld. Dat besluit is eerder bij uitspraak van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1801, door de voorzieningenrechter van de Afdeling geschorst, omdat het bestemmingsplan er niet aan in de weg stond dat het plangebied volledig kon worden verhard en de realisatie van de beoogde 3100 m² aan waterberging niet in de planregels was geborgd. De raad heeft het plan vervolgens bij besluit van 24 oktober 2024 gewijzigd om onder meer dit gebrek te herstellen, door artikel 3.3.3 met een voorwaardelijke verplichting voor de waterberging aan de planregels toe te voegen. Bij uitspraak van 21 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:691, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de aanleiding voor de schorsing als gevolg van deze wijziging niet meer aan de orde was, en de schorsing daarom opgeheven.
4. Inmiddels heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn bij besluit van 30 januari 2026 aan Niersman Projectontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de herontwikkeling van het bedrijventerrein. De vergunning is verleend voor civieltechnische ingrepen, waaronder grondwerkzaamheden en werkzaamheden aan verhardingen en inrichtingselementen. Daarnaast heeft Niersman Projectontwikkeling B.V. op 25 februari 2026 een aanvraag ingediend voor een tweede omgevingsvergunning. Deze aanvraag is voor "Deelgebied E", een gedeelte van het westelijke deel van het plangebied, en ziet onder andere op het aanbrengen van terreinverharding en het realiseren van een uitrit ten behoeve van de ontsluiting naar de openbare weg.
5. Als gevolg van deze laatste ontwikkelingen hebben [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 1] de voorzieningenrechter verzocht om de besluiten van 24 oktober 2024 en 14 december 2023 opnieuw te schorsen. [appellante sub 2] en anderen exploiteren een caravanstalling aan de [locatie], direct gelegen aan het plangebied, en wonen daarnaast in de directe omgeving. [appellant sub 1] woont direct ten zuidoosten van het plangebied.
Het verzoek van [appellant sub 1]
6. [appellant sub 1] heeft op de zitting toegelicht dat het doel van haar verzoek is om te voorkomen dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein verder wordt voortgezet of zelfs wordt voltooid voordat haar beroep tegen het bestemmingsplan door de Afdeling is beoordeeld. Zij heeft daarbij toegelicht dat zij met name vreest voor overlast als gevolg van de toename aan bedrijvigheid die het plan mogelijk maakt: zij stelt dat meer bedrijven zich op het terrein zullen vestigen, en dat er over de ontsluiting die voor haar woning komt te liggen veel zwaar verkeer zal rijden. Daarnaast vreest zij voor wateroverlast als gevolg van de toename aan verharding, omdat zij vindt dat de voorwaardelijke verplichting onvoldoende borgt dat voldoende waterberging zal worden gerealiseerd. Zij wil daarom dat de voorzieningenrechter het plan schorst.
6.1. De voorzieningenrechter overweegt dat noch de vergunning die bij besluit van 30 januari 2026 is verleend, noch de door Niersman Projectontwikkeling B.V. ingediende aanvraag, betrekking heeft op de ontwikkelingen waar [appellant sub 1] voor vreest. Zij betreffen namelijk niet het realiseren van bedrijfsbebouwing, of het realiseren van de ontsluiting of andere verharding in de buurt van haar woning, maar alleen werkzaamheden aan bestaande verhardingen, het verharden van een ander deel van het terrein en het realiseren van een uitrit aan de andere kant van het plangebied. In wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding om het besluit tot vaststelling van het plan te schorsen.
Het betoog slaagt niet.
Het verzoek van [appellante sub 2] en anderen
Wateroverlast
7. [appellante sub 2] en anderen betogen dat zij wateroverlast zullen krijgen als gevolg van de omgevingsvergunning van 31 januari 2026. Volgens hen is bij de verlening ten onrechte niet getoetst aan de voorwaardelijke verplichting van artikel 3.3.3 van de planregels. Zij stellen dat er geen waterstructuurplan of positief advies van de waterbeheerder bij de vergunning zijn gevoegd. Zij vrezen daarom dat de vereiste waterberging niet gerealiseerd zal worden, terwijl de vergunning volgens hen de verharding van een groot deel van het terrein mogelijk maakt.
[appellante sub 2] en anderen wijzen daarnaast op de Zettingsanalyse van Tjaden grondmechanica van 28 maart 2025, dat als bijlage bij de omgevingsvergunning is gevoegd, waaruit volgt dat er een kleilaag van 70 cm in de ondergrond zit. Hierdoor is het volgens hen niet mogelijk om een WADI toe te passen, en had een hydrologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd.
7.1. Artikel 3.3.3 van de planregels luidt:
"Alvorens op percelen een aanvang wordt gemaakt met het aanbrengen of veranderen van het hard oppervlak (een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig in de bodem kan komen. Bijvoorbeeld bestrating, gesloten teeltvloeren en bouwwerken) ten behoeve van de doeleinden zoals bedoeld in 3.1 van het bestemmingsplan "Rijnpark-Hoogewaard West, Koudekerk aan den Rijn", dient middels een waterstructuurplan inzichtelijk te worden gemaakt dat zal worden voorzien in voldoende waterberging voor het gehele plangebied, waarbij geldt dat:
a. Percelen niet eerder in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de functie(s), die op grond van de desbetreffende bestemming is (of zijn) toegelaten, dan nadat ten behoeve van die percelen voldoende waterberging is gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform het vigerende beleid van het waterschap (Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur geldend van 31 mei 2024, dan wel de opvolgende regeling);
b. minimaal 10% van de bouwperceeloppervlakte 'groen', in de zin van onverhard, uitgevoerd en in stand dient te worden gehouden;
c. er vooraf positief advies is ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder."
7.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure alleen gaat over het bestemmingsplan, niet over de verleende omgevingsvergunning. Als de omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan zou zijn verleend, zou dit nog geen reden kunnen zijn om het bestemmingsplan te schorsen, maar moet daarover in een procedure over de omgevingsvergunning worden beslist. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de verleende vergunning, anders dan [appellante sub 2] veronderstelt, geen nieuwe verharding mogelijk maakt, maar alleen werkzaamheden aan bestaande verharding. Als er verder gebruik plaatsvindt dat in strijd is met de voorwaardelijke verplichting uit artikel 3.3.3 van de planregels, is dat een kwestie van handhaving. Zoals de voorzieningenrechter in de vorige uitspraak in deze procedure van 21 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:691, onder 6.1, al heeft overwogen, is de voorwaardelijke verplichting uit artikel 3.3.3 immers een handhaafbare gebruiksregel.
Het betoog slaagt niet.
Ontsluiting
8. [appellante sub 2] en anderen stellen dat de aanvraag van 25 februari 2026 betrekking heeft op een ontsluitingsweg voor zwaar vrachtverkeer in het meest zuidwestelijke punt van het plangebied. Dit terwijl het bestemmingsplan juist bij besluit van 24 oktober 2024 is aangepast, zodat deze ontsluiting alleen gebruikt mag worden voor voetgangers, bromfietsers, calamiteitenverkeer, en als gebiedsontsluiting voor de woonpercelen Hoogewaard 153/153a. Zij vrezen dat deze ontsluitingsweg voor zwaar vrachtverkeer gebruikt zal worden.
8.1. Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]d. ter plaatse van de functieaanduiding 'ontsluiting' uitsluitend een ontsluiting voor voetgangers en (brom)fietsers, een calamiteitenontsluiting/route voor hulpdiensten en een gebiedsontsluiting voor de woonpercelen Hoogewaard 153/153a;
[…]"
8.2. Zoals hiervoor overwogen, gaat deze procedure over het bestemmingsplan. De omstandigheid dat er een aanvraag is ingediend voor een activiteit die in strijd met het bestemmingsplan zou zijn, wat daar verder ook van zij, kan geen reden zijn om het bestemmingsplan te schorsen. Als de ontsluiting in strijd met artikel 3.1, onder d, van de planregels voor zwaar vrachtverkeer wordt gebruikt, is dat een kwestie van handhaving.
Het betoog slaagt niet.
Kortsluiting
9. Niersman Projectontwikkeling B.V. en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht om kortsluiting. De voorzieningenrechter heeft in dit kader op de zitting meegedeeld alleen uitspraak te doen over de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening, en niet op de beroepen tegen het bestemmingsplan. De reden daarvoor is dat de zaak zich door de complexiteit en omvang niet leent voor kortsluiting.
Conclusie
10. De verzoeken worden afgewezen.
10.1. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Tricoli, griffier.
w.g. Jurgens
voorzieningenrechter
w.g. Tricoli
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1103