Uitspraak BRS.26.000796
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2031
- Datum uitspraak
- 16 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij brief van 25 maart 2026 heeft verzoeker de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om herziening van de uitspraak van 12 januari 2026 in zaak nr. BRS.25.001898, ECLI:NL:RVS:2026:106.
- Herziening
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.000796
ECLI:NL:RVS:2026:2031
Datum uitspraak: 16 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2026, in zaak nr. BRS.25.001898, ECLI:NL:RVS:2026:106.
Procesverloop
Bij brief van 25 maart 2026 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om herziening van de uitspraak van 12 januari 2026 in zaak nr. BRS.25.001898, ECLI:NL:RVS:2026:106.
Overwegingen
1. De bestuursrechter kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. Verzoeker heeft zulke feiten en omstandigheden niet aangevoerd.
2. Verzoeker voert aan dat hij niet op de hoogte was van een laissez-passeraanvraag die was ingediend op 30 oktober 2024 en dat dit relevant is bij de beoordeling van het zicht op uitzetting en het voortvarend handelen van de minister bij zijn uitzetting. Deze omstandigheid was echter al voor de uitspraak van 12 januari 2026 bij verzoeker bekend, namelijk op 16 december 2025, toen de minister een verweerschrift bij de rechtbank had ingediend in een vervolgberoep tegen de bewaring die in geding was in die uitspraak van 12 januari 2026. Alleen al daarom voldoet het herzieningsverzoek niet aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.
3. De Afdeling wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026
47-1182