Uitspraak BRS.26.001493
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2022
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001493
ECLI:NL:RVS:2026:2022
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 februari 2026 in zaak nr. 23/870 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 januari 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak en bepaald dat de minister betrokkene moet behandelen alsof hij krachtens artikel 64 van de Vw 2000 aan haar uitstel van vertrek heeft verleend tot zes weken na de bekendmaking van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de minister het gevraagde uitstel van vertrek moet verlenen. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de minister geen onevenredige inspanning vergt.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
1028