Uitspraak BRS.26.001311 en BRS.26.001415
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2016
- Datum uitspraak
- 15 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001311 en BRS.26.001415
ECLI:NL:RVS:2026:2016
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 maart 2026 in zaak nr. NL25.6271 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 17 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant herhaalt wat hij in beroep al heeft aangevoerd. Daarmee legt appellant niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Dat is wel vereist. Ook voert appellant nieuwe argumenten aan, waar de rechtbank niet over heeft kunnen oordelen. Dat is in strijd met de regels die gelden voor hoger beroep in vreemdelingenzaken. Daarom kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
625