Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001171

Uitspraak BRS.26.001171

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1775
Datum uitspraak
30 maart 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001171
ECLI:NL:RVS:2026:1775
Datum uitspraak: 30 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 februari 2026 in zaak nr. NL25.21050 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat in Gouda, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant heeft de Egyptische nationaliteit. Terwijl het beroep tegen het besluit van 11 april 2025 liep, heeft de minister de rechtbank laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding).

1.1.        De rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 27 januari 2026 verzocht om te laten weten of zij op de hoogte is van de verblijfplaats van appellant en of zij contact met hem heeft over de verdere voortgang van de procedure. De gemachtigde heeft bij brief van 30 januari 2026, en nogmaals bij brief van 5 februari 2026, laten weten dat zij geen contact meer heeft met appellant.

1.2.        Bij brief van 9 februari 2026 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft (artikel 8:57 van de Awb), dat zij het onderzoek sluit en dat zij binnen een week na de datum van verzending van deze brief uitspraak doet. Bij brief van 13 februari 2026 heeft de gemachtigde van appellant aan de rechtbank meegedeeld dat zij bericht van appellant heeft ontvangen, dat hij buiten de opvang van het COa verblijft, maar dat hij wel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroepschrift. De rechtbank heeft op 16 februari 2026 uitspraak gedaan en het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling grieven

2.        De grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is. Appellant betoogt dat de rechtbank in de brief van 13 februari 2026 ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het onderzoek te heropenen en het beroep alsnog inhoudelijk te behandelen.

2.1.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zal de bestuursrechter, in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met een vreemdeling, mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7.

2.2.        De brief van appellant van 13 februari 2026 is verstuurd na sluiting van het onderzoek. Maar in het licht van de hiervoor onder 2.1 genoemde uitgangspunten betoogt appellant terecht dat de rechtbank in die brief ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het onderzoek te heropenen met toepassing van artikel 8:68 van de Awb. Uit die brief volgt immers dat het contact is hersteld en dat appellant de procedure wil voortzetten. Dat is voldoende om aan te nemen dat appellant nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde rechtsmiddel.

2.3.        De grieven slagen.

Conclusie

3.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld, wijst de Afdeling de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 februari 2026 in zaak nr. NL25.21050;

III.        wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026

846


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon