Uitspraak BRS.25.001658
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1675
- Datum uitspraak
- 27 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.001658
ECLI:NL:RVS:2026:1675
Datum uitspraak: 27 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 oktober 2025 in zaak nr. NL25.48204 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. R.E. Temmen, advocaat in Bergen op Zoom, heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1. De minister heeft betrokkene wegens zijn asielaanvraag op 15 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 (de eerste maatregel). Naar aanleiding van de uitspraak van 26 september 2025, waarbij de rechtbank het beroep van betrokkene tegen de kennelijk ongegrondverklaring van deze aanvraag ongegrond heeft verklaard, heeft de minister de eerste maatregel op 1 oktober 2025 opgeheven en betrokkene op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (de tweede maatregel).
2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de eerste maatregel onrechtmatig is, omdat deze te laat is omgezet en dat dit tot gevolg heeft dat de tweede maatregel onrechtmatig is opgelegd.
2.1. De grief slaagt alleen al omdat de rechtbank daarmee buiten de omvang van het geding is getreden. De vraag of de eerste maatregel tijdig is opgeheven en is omgezet in de tweede maatregel, houdt namelijk een beoordeling in van de vraag of de eerste maatregel tot aan de opheffing daarvan op de juiste wettelijke grondslag heeft voortgeduurd. Deze vraag dient daarom te worden beoordeeld in een beroep tegen de eerste maatregel, en niet in een beroep tegen de tweede maatregel. De onrechtmatigheid van de eerste maatregel is niet vastgesteld in een beroep tegen die maatregel, zodat de rechtbank in de procedure over de tweede maatregel niet van de onrechtmatigheid van de eerste mocht uitgaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.1. tot en met 4.5.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkene
4. Betrokkene heeft alle zware en lichte gronden die de minister aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, betwist. De minister heeft echter alleen al de zware gronden 3a (Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen) en 3b (zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken) terecht aan betrokkene tegengeworpen. Betrokkene betwist namelijk niet dat hij Nederland zonder identiteitsdocument is binnengekomen en ook niet dat hij niet is verschenen op een gehoor bij de IND en dat hij na de afwijzing van zijn asielaanvraag niet naar zijn land van herkomst is vertrokken, maar naar Zwitserland en later ook naar Duitsland, zoals de minister in de maatregel heeft vermeld. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en daarom deugdelijk gemotiveerd en samen voldoende om de maatregel te dragen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000. Wat betrokkene over de andere gronden heeft aangevoerd, hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond faalt.
5. Ook de beroepsgrond van betrokkene dat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko bestaat, faalt. Zie daarvoor allereerst de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269. Uit de door de rechtbank bij de minister opgevraagde gegevens over de terugkeerprocedures blijkt verder dat tussen 1 januari 2025 en 1 oktober 2025, 206 laissez-passer-aanvragen zijn ingediend, 119 nationaliteitsbevestigingen zijn afgegeven, 129 laissez-passers zijn verstrekt en 79 uitzettingen met behulp van een laissez-passer hebben plaatsgevonden. Ook heeft de minister gemeld dat de Marokkaanse autoriteiten geen presentaties in persoon meer vereisen alvorens tot de afgifte van een laissez-passer over te gaan. De minister heeft blijkens het dossier op 5 augustus 2025 voor betrokkene een laissez-passer-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten verzonden en gerappelleerd op 15 augustus, 4 september en 25 september 2025. Gelet op de informatie over het aantal verstrekte laissez-passers en het aantal uitzettingen met behulp daarvan, mocht de minister ervan uitgaan dat de Marokkaanse autoriteiten ook voor betrokkene een laissez-passer zullen verstrekken. De minister heeft daarom ten tijde van het opleggen van de maatregel terecht aangenomen dat zicht op uitzetting voor betrokkene niet ontbrak.
6. Betrokkene klaagt ook tevergeefs dat de minister een lichter middel dan bewaring op had moeten leggen en hem in een azc had kunnen plaatsen is afwachting van zijn asielprocedure. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. Hij heeft dat deugdelijk gemotiveerd door erop te wijzen dat betrokkene meerdere keren heeft verklaard niet terug te willen keren naar Marokko, dat hij eerder met onbekende bestemming is vertrokken en dat daaruit onttrekkingsrisico volgt. De beroepsgrond faalt.
7. Het beroep is ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 oktober 2025 in zaak nr. NL25.48204;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026
47