Uitspraak BRS.26.001236
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1622
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001236
ECLI:NL:RVS:2026:1622
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2026 in zaak nr. NL24.48790 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 27 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet, dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 november 2024 worden geschorst en dat hij wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 november 2024 worden geschorst en dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van €934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. M.C. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. W.M. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
644-1182