Uitspraak BRS.26.000879
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1610
- Datum uitspraak
- 23 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.000879
ECLI:NL:RVS:2026:1610
Datum uitspraak: 23 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 februari 2026 in zaak nr. NL26.6286 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4237, onder 7, over foutmeldingen bij het valideren van de elektronische handtekening onder bewaringsmaatregelen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De Afdeling wijst er daarbij op dat zij ook in dit geval de elektronische handtekening heeft kunnen valideren.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. A Campo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026
907