Uitspraak BRS.26.001110
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1511
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgehouden.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.001110
ECLI:NL:RVS:2026:1511
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL26.8368 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister appellant opgehouden.
Bij uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W. Koevoets, advocaat in Sluis, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
1020