Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202503134/1/A2

Uitspraak 202503134/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1468
Datum uitspraak
10 maart 2026
Inhoudsindicatie
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag het CBR uitgaan van de juistheid van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Als de bevindingen in het proces-verbaal worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR mocht uitgaan van de bevindingen in het proces-verbaal. De enkele betwisting door [appellant] van de waarnemingen van de verbalisant, zoals opgenomen in het proces-verbaal, is onvoldoende om aan de bevindingen te twijfelen.
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Wegenverkeerswet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202503134/1/A2.
Datum uitspraak: 10 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2025 in zaak nr. 24/7973 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Openbare zitting gehouden op 10 maart 2026 om 10:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter
griffier: mr. D.T.J. van de Voort

Verschenen:

Het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark;

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 15 april 2025 van de rechtbank Den Haag.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden:

•        Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag het CBR uitgaan van de juistheid van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Als de bevindingen in het proces-verbaal worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.

•        De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR mocht uitgaan van de bevindingen in het proces-verbaal. De enkele betwisting door [appellant] van de waarnemingen van de verbalisant, zoals opgenomen in het proces-verbaal, is onvoldoende om aan de bevindingen te twijfelen.

•        Uit het proces-verbaal volgt dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot het afnemen van de speekseltest en het instellen van het bloedonderzoek. Onder meer is waargenomen dat [appellant] slingerend over de weg reed, dat hij vergrote pupillen had en zijn ogen bloeddoorlopen waren. De testen hebben vervolgens ook bevestigd dat er (een verhoogde waarde van) tetrahydrocannabinol (THC) aanwezig was.

•        Onder deze omstandigheden is het CBR op grond van artikel 17 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 gehouden om de Educatieve Maatregel Drugs (EMD) in het verkeer op te leggen.

•        Het opleggen van de EMD aan [appellant] is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zo is er de mogelijkheid voor het treffen van een betalingsregeling voor het betalen van de uitvoeringskosten, waarvan [appellant] ook gebruik heeft gemaakt. Niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden.

Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort
griffier

1062


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon