Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202500467/1/A2

Uitspraak 202500467/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1549
Datum uitspraak
18 maart 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen het pand aan de [locatie 1 en 2] te Heerlen (het pand) aangewezen als gemeentelijk monument. [appellant] is eigenaar van het pand. Het college heeft hem bij brief van 9 februari 2022 in kennis gesteld van het voornemen om het pand aan te wijzen als gemeentelijk monument. Ook heeft het college het ontwerpbesluit met de redengevende omschrijving aan hem gestuurd. [appellant] heeft op 15 maart 2022 een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college een reactie gegeven en de redengevende omschrijving aangepast in die zin dat het interieur van het pand niet meer onder de aanwijzing valt. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college het pand op grond van artikel 5 van de Erfgoedverordening Heerlen 2021, onder verwijzing naar zijn reactie op de zienswijze en de aangepaste redengevende omschrijving, aangewezen als gemeentelijk monument.
  • Hoger beroep
  • Monumenten

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202500467/1/A2.
Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Hoensbroek, gemeente Heerlen,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 december 2024 in zaak nr. 23/524 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college het pand aan de [locatie 1 en 2] te Heerlen (het pand) aangewezen als gemeentelijk monument.

Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat in Bergen (Lb), en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.M.A. Huppertz, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is eigenaar van het pand. Het college heeft hem bij brief van 9 februari 2022 in kennis gesteld van het voornemen om het pand aan te wijzen als gemeentelijk monument. Ook heeft het college het ontwerpbesluit met de redengevende omschrijving aan hem gestuurd. [appellant] heeft op 15 maart 2022 een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college een reactie gegeven en de redengevende omschrijving aangepast in die zin dat het interieur van het pand niet meer onder de aanwijzing valt.

Besluitvorming

2.       Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het college het pand op grond van artikel 5 van de Erfgoedverordening Heerlen 2021, onder verwijzing naar zijn reactie op de zienswijze en de aangepaste redengevende omschrijving, aangewezen als gemeentelijk monument.

Uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het college het aanwijzingsbesluit bevoegd heeft genomen. Zij heeft daartoe overwogen dat de enkele omstandigheid dat een handtekening ontbreekt bij een digitaal opgemaakt besluit niet betekent dat het besluit geen rechtskracht heeft gekregen. Zij heeft verder overwogen dat een gemeentelijke verordening, zoals de Erfgoedverordening gemeente Heerlen 2021, volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als wettelijke basis kan dienen voor een inmenging van het eigendomsrecht en de door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde rechten.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college [appellant] niet hoefde te horen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 6 van de Erfgoedverordening de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Deze procedure kent niet de verplichting voor het bevoegd gezag om degenen die zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hebben ingebracht, voorafgaand aan het nemen van het definitieve besluit te horen. Evenmin is gebleken dat het college anderszins was gehouden om [appellant] te horen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de in artikel 9 van de Erfgoedverordening genoemde termijn van 26 weken een termijn van orde is. Het overschrijden van deze termijn maakt niet dat het besluit op zichzelf niet rechtmatig is of dat het college niet alsnog kon overgaan tot het nemen van het besluit.

De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden. In een procedure waarbij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, begint de redelijke termijn te lopen op het moment dat beroep is ingesteld tegen het besluit. Het uitgangspunt is dat de rechtbank binnen een termijn van twee jaar uitspraak heeft gedaan op het beroep. Op het moment dat de rechtbank uitspraak deed, was minder dan twee jaar verstreken sinds het moment dat [appellant] beroep had ingesteld.

Hoger beroep

4.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daarin opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

5.       Het hoger beroep is ongegrond.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rijsdijk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

705-1175


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon