Uitspraak BRS.26.000450
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1309
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000450
ECLI:NL:RVS:2026:1309
Datum uitspraak: 10 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 december 2025 in zaak nr. 25/9356 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Görsültürk, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1. Appellant stelt dat de uitspraak is verzonden op 11 december 2025. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde daarmee op 8 januari 2026. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat appellant heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen, aangezien uit de poststempel blijkt dat het hogerberoepschrift op 9 januari 2026 ter postbezorging is aangeboden. De enkele niet nader onderbouwde stelling van appellant dat het hoger beroep op 8 januari 2026 is ingesteld, kan daaraan niet afdoen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026
307-1183