Uitspraak BRS.25.001723
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1266
- Datum uitspraak
- 6 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001723
ECLI:NL:RVS:2026:1266
Datum uitspraak: 6 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2025 in zaak nr. NL25.27972 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2025 heeft de minister vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Bij besluit van 18 juni 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Leenders, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 13 november 2025 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier haar bij aangetekende brief van 17 november 2025 laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 1 december 2025 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026
91-1173