Uitspraak 202503486/1/A3 en 202503486/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1180
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar het verzoek van [verzoeker] om te worden ingeschreven in de basisregistratie personen afgewezen. [verzoeker] wil graag ingeschreven worden op een adres in Alkmaar. Het college zegt dat dat volgens de Wet basisregistratie personen (Wet brp) niet kan omdat [verzoeker] geen rechtmatig verblijf heeft. [verzoeker] vindt dat het college voor zijn situatie een uitzondering moet maken. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter of dat zo is. De rechtbank had volgens [verzoeker] het besluit moeten toetsen aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat zijn recht op privéleven wordt geschonden. Hij kan niet de medische behandeling krijgen die hij nodig heeft, geen bankrekening openen en andere voorzieningen verkrijgen. [verzoeker] betoogt verder dat de Wet brp ten onrechte geen rekening houdt met de situatie waarin hij verkeert doordat hij geen verblijfsvergunning heeft maar ook niet terug kan naar zijn land van herkomst, Syrië. Het college had daarom een belangenafweging moeten maken.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Basisregistratie
Toon inhoud
202503486/1/A3 en 202503486/2/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Alkmaar,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 21 maart 2025 in zaak nr. 24/1032 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2023 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om te worden ingeschreven in de basisregistratie personen afgewezen.
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 maart 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 19 februari 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door L. Dekker, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Waar gaat de zaak over?
2. [verzoeker] wil graag ingeschreven worden op een adres in Alkmaar. Het college zegt dat dat volgens de Wet basisregistratie personen (Wet brp) niet kan omdat [verzoeker] geen rechtmatig verblijf heeft. [verzoeker] vindt dat het college voor zijn situatie een uitzondering moet maken. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter of dat zo is.
Waarom vindt [verzoeker] de uitspraak van de rechtbank niet goed?
3. De rechtbank had volgens [verzoeker] het besluit moeten toetsen aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat zijn recht op privéleven wordt geschonden. Hij kan niet de medische behandeling krijgen die hij nodig heeft, geen bankrekening openen en andere voorzieningen verkrijgen. [verzoeker] betoogt verder dat de Wet brp ten onrechte geen rekening houdt met de situatie waarin hij verkeert doordat hij geen verblijfsvergunning heeft maar ook niet terug kan naar zijn land van herkomst, Syrië. Het college had daarom een belangenafweging moeten maken.
[verzoeker] heeft op de zitting bij de voorzieningenrechter zijn beroepsgrond over indirecte discriminatie ingetrokken.
Wat zijn de regels?
4. In artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp staat dat alleen degene die rechtmatig verblijf geniet in de basisregistratie kan worden ingeschreven.
Artikel 8 van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid staat dat een inbreuk op dat recht mogelijk is als dat, kort samengevat, in een wet staat, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. Niet in geschil is dat [verzoeker] een verblijfsvergunning heeft gehad maar dat die in 2015 is ingetrokken. Ook wordt niet bestreden dat [verzoeker] in ieder geval op het moment van het besluit op bezwaar niet terug kon naar zijn land van herkomst vanwege de situatie daar. Op de zitting heeft de gemachtigde verder bevestigd dat er geen asielprocedure loopt en er geen sprake is van uitstel van vertrek. Door deze verblijfsstatus krijgt [verzoeker] alleen noodzakelijke medische hulp.
6. Vast staat dus dat [verzoeker] niet rechtmatig verblijft in Nederland. Volgens artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp kan hij om die reden niet worden ingeschreven in de basisregistratie personen. De tekst van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp laat geen ruimte voor een belangenafweging. De voorzieningenrechter vindt dat het college dat in dit geval ook niet hoefde te doen vanwege de situatie van [verzoeker]. De wetgever heeft rekening gehouden met die situatie, en ervoor gekozen om in de Wet brp een koppeling te maken tussen de verblijfsstatus en de inschrijving in de basisregistratie personen. Dat [verzoeker] geen recht heeft op bepaalde voorzieningen en andere problemen ondervindt bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer komt doordat hij in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft. De situatie van [verzoeker] is dus niet zo bijzonder dat het college in strijd met de wet hem wel moest inschrijven in de basisregistratie personen.
7. Het college hoefde artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp in dit geval ook niet buiten toepassing te laten wegens het recht op privéleven van [verzoeker]. Daargelaten of sprake is van een inbreuk op dat recht, is die inbreuk dan gerechtvaardigd. Dat een persoon zonder verblijfsrecht niet mag worden ingeschreven in het basisregister personen staat in artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp. Dat is een wet. Het artikellid dient een rechtmatig doel, namelijk het op betrouwbare wijze bijhouden van persoonsgegevens van de ingezetenen van Nederland. [verzoeker] heeft, ook desgevraagd op de zitting, geen enkel aanknopingspunt aangereikt waarom dat geen legitiem doel is, of niet noodzakelijk is in een democratische samenleving waardoor de inbreuk niet gerechtvaardigd zou zijn.
8. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het college het verzoek van [verzoeker] om te worden ingeschreven in de basisregistratie personen mocht afwijzen.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van Tuyll van Serooskerken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
290