Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202406655/1/A3

Uitspraak 202406655/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1185
Datum uitspraak
4 maart 2026
Inhoudsindicatie
Bij brief van 23 oktober 2023 heeft [appellante] een verzoekschrift gericht aan de minister Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. In het verzoekschrift verzoekt [appellante] de minister om te voldoen aan de in het verdrag van Aarhus opgenomen positieve verplichtingen en geeft hij de minister 30 dagen de tijd om met terugwerkende kracht de geconstateerde gebreken te herstellen. Ook verzoekt [appellante] de minister de verloren gegane rechtsorde te herstellen en hersteld te houden.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202406655/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 september 2024 in zaak nr. 24/1237 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Procesverloop

Bij brief van 23 oktober 2023 heeft [appellante] een verzoekschrift gericht aan de minister.

Bij brief van 6 december 2023 heeft [appellante] de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek.

Bij brief van 7 januari 2024 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.

Bij uitspraak van 20 september 2024 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar  [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door A.H. Spriensma-Heringa, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In het verzoekschrift verzoekt [appellante] de minister om te voldoen aan de in het verdrag van Aarhus opgenomen positieve verplichtingen en geeft hij de minister 30 dagen de tijd om met terugwerkende kracht de geconstateerde gebreken te herstellen. Ook verzoekt [appellante] de minister de verloren gegane rechtsorde te herstellen en hersteld te houden.

2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] te weinig concreet is om te kunnen worden aangemerkt als een ontvankelijke aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het uitblijven van een beslissing op het verzoek kan daarom niet worden aangemerkt als het niet tijdig nemen van een besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter openstaat.

3.       [appellante] betoogt in hoger beroep dat is voldaan aan alle vereisten om een verzoek in te dienen en dat de minister daarom verplicht was om op zijn minst het verzoek ongegrond te verklaren. [appellante] kon niet voorzien dat zijn verzoek niet zou kwalificeren als een aanvraag. Volgens [appellante] is het verzoek een op rechtsgevolg gerichte aanvraag waarop hoe dan ook door de minister moet worden beslist.

4.       De Afdeling oordeelt hierover dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het verzoek van [appellante] te weinig concreet was om dit te kunnen aanmerken als aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek is algemeen geformuleerd en vraagt niet om een bepaald in het verzoek omschreven besluit dat een grondslag zou vinden in een wettelijke regeling. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat het een verzoek op grond van de Wet open overheid is, maar het verzoek geeft hiervoor geen enkel aanknopingspunt. Omdat niet is nagelaten een bepaald gevraagd besluit te nemen, kon tegen het uitblijven daarvan geen beroep worden ingesteld. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Langeveld
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026

317-1158


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon