Uitspraak BRS.26.000574 en BRS.26.000575
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:977
- Datum uitspraak
- 18 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.000574 en BRS.26.000575
ECLI:NL:RVS:2026:977
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 januari 2026 in zaak nr. NL26.687 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Tegenwoordig:
voorzieningenrechter: mr. J. Schipper-Spanninga
griffier: mr. J. Nouta
====================================
Bij besluit van 6 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G. Ocak, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft op 18 februari 2026 een nader stuk ingediend waaruit blijkt dat hij op donderdag 19 februari 2026 om 09.20 uur zal worden overgedragen aan de Roemeense autoriteiten. De minister heeft daarop mondeling gereageerd.
De voorzieningenrechter, bij mondelinge uitspraak van 18 februari 2026:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Daartoe overweegt hij het volgende.
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 7, 10, 13 en 16 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Nouta
griffier
922-1122
het digitaal dossier aan partijen ter beschikking gesteld.