Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.002241

Uitspraak BRS.25.002241

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:866
Datum uitspraak
18 februari 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.002241
ECLI:NL:RVS:2026:866
Datum uitspraak: 18 februari 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 november 2025 in zaak nr. NL25.24876 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.S. Sewman, advocaat in Lemmer, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        In haar eerste grief klaagt appellant tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de vereisten voor een van haar dochter afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, omdat appellant haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2265, onder 5 en 5.3, volgt dat een vreemdeling voor eerdergenoemd verblijfsrecht zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen dan een geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs aannemelijk mag maken en dat onduidelijkheid over zijn identiteit en nationaliteit niet automatisch doorslaggevend is voor de uitkomst van de beoordeling. Anders dan appellant aanvoert, heeft de rechtbank niet aangenomen dat zij haar identiteit en nationaliteit met een paspoort had moeten aantonen, tenzij zij in bewijsnood verkeert. De rechtbank heeft verwezen naar haar overweging onder 4.3, waarin staat dat de minister zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende heeft gedaan om haar identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Uit die overweging volgt waarom de minister volgens de rechtbank na de beoordeling van alle relevante omstandigheden van het geval voor de uitkomst van deze beoordeling doorslaggevend heeft mogen achten dat appellant haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant voert niet aan dat zij haar identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt of heeft gedaan wat de minister van haar mag verwachten om dat aannemelijk te maken. De eerste grief slaagt niet.

2.        Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.

w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jongeneel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026

958


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon