Uitspraak BRS.25.001929
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:804
- Datum uitspraak
- 16 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.001929
ECLI:NL:RVS:2026:804
Datum uitspraak: 16 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 november 2025 in zaak nr. NL25.52274 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Timmer, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit het rapport van bevindingen dat de minister bij haar schriftelijke uiteenzetting heeft overgelegd, volgt namelijk dat het in het asielbesluit van 21 september 2022 vervatte terugkeerbesluit ter inzage is gelegd op het aanmeldcentrum in Ter Apel, omdat er geen gemachtigde van appellant bekend was en het besluit niet in persoon aan hem kon worden uitgereikt. Het terugkeerbesluit is daarom bekend gemaakt in overeenstemming met paragraaf C1/2.13.1 van de Vc 2000. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de maatregel van bewaring op dit terugkeerbesluit kon worden gebaseerd.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026
846